|
TUSSEN DROOM EN DAAD STAAN TE WEINIG WETTEN EN VEEL PRAKTISCHE BEZWAREN
KOOPKRACHT IS MACHT
Iedereen draagt kleren. Ze sluiten nauw aan bij de persoonlijkheid en de levensstijl van mensen. Ze staan bovendien voor een wezenlijk percentage van het gezinsbudget. De Schone Kleren Campagne heeft dit consumentenperspectief gekozen om ook de aandacht te vestigen op de arbeidsomstandigheden waarin kleding gemaakt wordt en om mensen ertoe aan te zetten hun koopkracht te gebruiken door actie te voeren t.a.v. kledingbedrijven. De Schone Kleren Campagne slaat op die manier de brug tussen werknemers- en consumentenbelangen. Het is een campagne die enerzijds met laagdrempelige acties zoveel mogelijk consumenten mobiliseert om druk uit te oefenen op kledingdistributeurs opdat ze hun maatschappelijke verantwoordelijkheid zouden opnemen en die anderzijds deze bedrijven op een constructieve manier benadert met voorstellen om een gedragscode aan te nemen en een onafhankelijk controlesysteem te ontwikkelen. Hiermee heeft de Schone Kleren Campagne blijkbaar het figuurlijke gat in de markt gevonden want de respons van zowel consumenten als bedrijven overtrof onmiddellijk alle verwachtingen. Wat juridische acties betreft, staat de Schone Kleren Campagne nog in de kinderschoenen.
WACHTEN OP GODOT?
Er zijn in de kledingsector de laatste jaren enkele voorbeelden van rechtszaken tegen multinationale ondernemingen die door de aanklagers gewonnen werden. Dat aantal is echter beperkt in vergelijking met de rechtszaken waar de bedrijven vrijuit gingen en zeker onbeduidend in vergelijking met het aantal schendingen. Niet helemaal toevallig gaat het steeds om Angelsaksische landen. Op wat of wie wachten we in Europa? Een eerste keuze die niet opgelost lijkt te raken, is: moeten we lobbyen en wachten tot de wetgeving aangepast is alvorens een juridische klacht als hefboom te gebruiken of kunnen we, op het gevaar af te mislukken, toch de bestaande regelgeving inroepen om het naleven van de arbeidsnormen af te dwingen? Een tweede vraag die in de lucht hangt, is: wie doet wat? Strikt genomen is justitie niet geïnteresseerd in al wat het naleven van de wet overstijgt; enkel bekommerd in zover de wet al dan niet gerespecteerd wordt en slechts actief betrokken eens de wet overtreden wordt. NGO’s en vakbonden daarentegen nemen geen voldoening met het louter naleven van de wetgeving maar stellen goede arbeidspraktijken en een actieve aanpak voorop. Beide benaderingen zijn noodzakelijk en kunnen aanvullend zijn. Niettemin lijken juristen, gespecialiseerd in internationaal recht, te wachten tot actievoerders de stap zetten om te procederen. En ondertussen wachten die actiegroepen tot advocaten bereid zijn hen succesvol door een rechtsgeding te leiden.
DE MAZEN VAN HET NET
Kledingmultinationals zijn vaak rijker dan nationale regeringen en voelen zich niet moreel verplicht om met hun macht en rijkdom bij te dragen tot het verbeteren van de levensomstandigheden van de mensen in de landen waar ze opereren, of zelfs van de werknemers die direct van hen afhankelijk zijn. Ze hoeven hierover geen verantwoording af te leggen, tenzij tegenover hun aandeelhouders. Daar staat naast dat de marge voor nationale overheden om een regelgeving te ontwikkelen en op te leggen vermindert. De verdeling van de verantwoordelijkheid tussen staat en bedrijfsleven is vaak onduidelijk. Hierdoor ontstaat er een vacuüm waar grote bedrijven gretig gebruik van maken. Zelfs al opereren ze in een flink aantal landen, dan nog laat hun veranderende en versnipperde bedrijfsstructuur toe om te argumenteren dat ze enkel maar gebonden zijn aan de wetgeving van telkens één land, het gastland. De verschillen in de nationale wetgevingen vergroten bovendien de mogelijkheden de focus van een rechtszaak te doen verschuiven van de feiten naar een discussie over technische kwesties. Zo stelt een Europese conventie dat de plaats van jurisdictie voor Europese bedrijven het land is waar het bedrijf zijn hoofdkantoren heeft, het thuisland. In Engeland echter kan een bedrijf beroep hiertegen aantekenen en ‘forum non conveniens’ aanhalen om de zaak te verschuiven naar het gastland waar ze voordeel kunnen halen uit de minder strikte wettelijke bescherming van de werknemers, de lagere kosten en de medeplichtigheid van de overheid. Voor actiegroepen en getroffen werknemers is het ontmoedigend dat het lukken of mislukken van een juridische actie vaak niet afhangt van de gegrondheid van de feiten maar van juridische techniciteiten.
Ook de interne gedragscodes die niet bindend zijn en als PR-instrumenten gebruikt worden, leiden in sommige situaties de aandacht af van wat er zich in de praktijk op de werkvloer afspeelt. Zonder implementatie en onafhankelijke controle bestaat het gevaar dat die gedragcodes enkel dienst doen als bliksemafleiders.
ARBEIDSRECHTEN
De antwoorden op de vraag of een rechtszaak aangespannen moet worden in het thuisland of het gastland, zijn verdeeld. De huidige ervaringen lijken uit te wijzen dat er minst kans is op slagen in de gastlanden. Dit om een aantal redenen. De toegang tot justitie is voor de werknemers moeilijker in hun eigen land. Samenspanning met de bedrijfswereld is waarschijnlijker. De soevereiniteit van een land is dan weer een andere kwestie. In het verleden ging de jurisdictie automatisch over naar het thuisland als er een misbruik vastgesteld werd in een gastland. Naderhand werd dit gezien als een aantasting van de soevereiniteit. Maar nu gebeurt het dikwijls dat bedrijven die soevereiniteit gebruiken of misbruiken om de verantwoordelijkheid naar het gastland door te schuiven. In verschillende zaken is het zo dat slachtoffers aangedrongen hebben op een rechtsgeding in het thuisland.
In het kader van de FairWear campagne in Australië, waar verschillende organisaties aan deelnemen, ondernam de kledingvakbond TCFUA juridische stappen tegen 72 kledingbedrijven waaronder Nike. TCFUA Victoria diende sinds begin 1996 vier keer een gegroepeerde klacht in. Het ging telkens om 25 à 35 bedrijven en een 40-tal inbreuken tegen de Clothing Trades Award, de Australische arbeidswetgeving. Sommige bedrijven accepteerden onmiddellijk een schikking; andere pas na bemiddeling. Geruime tijd was Nike het enige bedrijf dat geen schikking aanvaardde. Nike verscheen uiteindelijk voor het federaal gerechtshof van Melbourne in september 2000 waar het schuld bekende en bereid werd gevonden een boete te betalen van 5000$ per inbreuk te betalen.
Een aantal rechtszaken in geïndustrialiseerde landen, vooral in de VSA, Australië, Groot-Brittannië en Canada, zetten de trend in om multinationals ook in thuislanden ter verantwoording te roepen. Voor zover ons bekend, zijn daar geen zaken bij uit de kledingindustrie, wel de uit de chemische, de olie- en de mijnindustrie. (UNOCAL in Burma, Thor Chemicals in Zuid-Afrika, Rio Tinto in Namibië, BHP in Papua New Guinea, HRV in Guiana). Het rechtssysteem in deze landen is het gewoonterecht. Het is de vraag of het Romeins recht van het Europese continent dezelfde mogelijkheden biedt.
Maar zelfs al bevinden hoofdkantoren en productielocatie zich binnen de grenzen van één land, dan nog is het niet eenvoudig om de aansprakelijkheid aan te tonen. Het Asian American Legal Defense and Education Fund (AALDEF) legde in Manhattan in juni 2000 klacht neer tegen het bekende New Yorkse modehuis Donna Karan. Verschillende organisaties werkten samen voor het indienen van de klacht en het organiseren van manifestaties. Donna Karan werd ervan beschuldigd de wet te overtreden door te weinig te betalen voor het overwerk van arbeidsters die gedwongen waren 7 dagen per week te werken, goed voor ongeveer wekelijks 75 uur werk. Voordien protesteerden de werknemers al tegen deze inbreuken maar dit had enkel tot gevolg dat de betrokken fabriek verlaten werd en de opdracht naar een andere ging waar de arbeidsvoorwaarden gelijkaardig waren. Met deze klacht probeerde men dit te voorkomen door alle werknemers op te nemen van om het even welke fabriek die voor Donna Karan produceert. Donna Karan stelde dat het niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor inbreuken tegen lonen en werkuren bij de leveranciers. Die leveranciers worden door hen geacht zich aan de arbeidswetgeving en ethische normen te houden. Volgens Dhr. Kimerling van AALDEF moet Donna Karan daarentegen als mede-werkgever beschouwd worden omdat het zoveel controle uitoefent op de leveranciers. In dat geval zegt de wet dat Donna Karan wel verantwoordelijk is voor het naleven van de wettelijke bepalingen inzake lonen en werkuren. Het is overigens niet verwonderlijk dat de directie niet op de hoogte was van de klachten van de werknemers. Kledingarbeiders hebben namelijk schrik dat ze ontslagen worden of vrezen dat aan het licht zal komen dat ze ook vaak betalingen in het zwart ontvangen.
RECHT VAN DE CONSUMENT OP INFORMATIE
Informatie is zowel voor de bedrijfswereld, en zeker de kledingsector, als voor de consument, een sleutelbegrip. Door het aanwenden van allerlei reclame-, marketing-, en communicatietechnieken creëren kledingketens een imago. Een consument moet echter voldoende juiste informatie krijgen om te beslissen of hij/zij het product al dan niet wil kopen. De aankoopkeuze wordt bepaald door prijs, kwaliteit, samenstelling, onderhoudsvoorschriften, … Naast deze intrinsieke eigenschappen wordt er de laatste tijd ook meer en meer belang gehecht aan extrinsieke eigenschappen zoals de impact op het milieu en de gezondheid, de sociale omstandigheden bij de productie. Het recht van de consument op informatie wordt door de wetgeving van heel wat Europese en niet-Europese landen erkend. Qua juridische actiemogelijkheden biedt de huidige situatie volgende aanknopingspunten.
Ten eerste kan er druk uitgeoefend worden op de overheid om de informatieplicht i.v.m. de productievoorwaarden bindend te maken. Die informatieplicht is terug te vinden in het artikel 30 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken (WHP) en de voorlichting en bescherming van de Belgische consument. Er wordt o.a. verwezen naar de ‘uitgedrukte behoefte aan voorlichting’. Die is, zoals gezegd, volop in evolutie. Dit artikel 30 is een vaag en eerder algemeen principe. Ook het recente wetsontwerp ter bevordering van sociaal verantwoorde productie dat moet leiden naar een productlabel waarmee aan de consument garanties geboden worden omtrent de productieomstandigheden, gaat niet ver genoeg.
Ten tweede kan op basis van de wetgeving inzake misleidende reclame een rechtszaak aangespannen worden tegen een bedrijf dat op verschillende manieren (via een gedragscode, communicatie met actievoerders, persberichten, enz.) een verkeerde voorstelling geeft van de feiten. Artikel 23,4° van de WHP verbiedt immers: “elke reclame waarbij de verkoper essentiële inlichtingen weglaat met de bedoeling te misleiden”. Reclame wordt door de WHP zeer ruim gedefinieerd. Zo vallen labels, etiketten en alle mededelingen die verkoopsbevorderend zijn, onder de omschrijving. Bijgevolg geldt de definitie ook voor gedragscodes als die meegedeeld worden aan de consument.
In de Verenigde Staten is er een voorbeeld van een proces gebaseerd op dergelijke regelgeving van informatieplicht en verbod op misleidende reclame. In naam van het algemeen belang diende Marc Kasky, een inwoner van San Francisco, in april 1999 klacht in tegen Nike. De grond van de klacht was het gebruik van verkeerde voorstellingen via valse verklaringen en/of het verzwijgen van feiten, met de bedoeling de verkoop in stand te houden of te vermeerderen. De feiten waar het over ging, waren de arbeidsomstandigheden waarin werknemers in Zuid-Oost-Azië Nikeproducten maken. De San Francisco Superior Court verklaarde de klacht ontvankelijk omdat de Nikeproducten op Californisch rechtsgebied ruim gepromoot, verkocht en gebruikt worden waarbij Nike een aanzienlijke omzet haalt, gebruik makend van die verkeerde voorstellingen. Mensenrechtenorganisaties leverden bewijsmateriaal over de schendingen van de arbeidsrechten. Nike werd ervan beschuldigd deze feiten niet kenbaar gemaakt te hebben bij de Californische consument, noch via reclame of bij de verkoop, noch op een andere manier. Als antwoord op de onthullingen van Nikes arbeidspraktijken in Zuid-Oost-Azië heeft Nike ten aanzien van de Californische consument steeds volgehouden dat in een aantal situaties de aantijgingen onterecht waren en dat in de andere situaties Nike er niet voor verantwoordelijk gesteld kon worden. Niettemin bleef Nike de publieke opinie voorhouden dat ze haar verantwoordelijkheid voor al haar werknemers volledig opnam. Dit gebeurde in brieven aan universiteiten die met Nike contracten gesloten hebben voor sportuitrustingen; in hun gedragscode; in een memorandum met alle onderaannemers; in een document ‘Nike responds to sweatshop allegations’ en verschillende andere publicaties. Nike verzweeg ook de feiten na een onderzoek van Good Works International, een firma opgericht door Andrew Young, toen het met paginagrote advertenties de consument wou laten geloven dat het goed werk leverde. Nike werd er dus van beschuldigd de Californische consumentenwet te hebben overtreden door het publiek opzettelijk te misleiden over de arbeidsomstandigheden van de Vietnamese, Chinese en Indonesische werknemers die sportschoenen maken met het kenmerkende ‘swoosh’logo.
Ten derde kan het concept ‘eerlijke handelspraktijken’ uit de WHP ingeroepen worden. Het betreft in de eerste plaats de verhoudingen tussen professionelen maar kan ook toegepast worden op de verhouding tussen verkoper en consument. Het arrest van 2 mei 1985 van het Belgisch hof van cassatie beriep zich hierop voor de eerbiediging van de reglementering inzake stedenbouw. Indien een overtreding op het domein van stedenbouw als strijdig beschouwd wordt met de ‘eerlijke handelspraktijken’, dan geldt dit a fortiori voor de schending van de fundamentele arbeidsrechten die internationaal erkend zijn.
FACTOREN
Alvorens een rechtsprocedure in te zetten, moeten ook nog verschillende praktische bezwaren overwonnen worden.
Draagvlak
De achterban van de actiegroep moet voorafgaandelijk geraadpleegd worden en akkoord gaan met de voorgestelde strategie. Dit is niet vanzelfsprekend. En sowieso is de ondersteuning van een rechtszaak met acties belangrijk, zelfs noodzakelijk. Rechters zijn immers niet immuun voor de publieke opinie. Ook het bedrijf dat gedagvaard wordt, zal de druk voelen om zich te schikken en maatregelen te nemen om te voorkomen dat het op andere plaatsen ook tot een rechtszaak komt. Die acties zijn verder ook een waarschuwingssignaal naar andere bedrijven.
Bedrijfsstructuur
De toonaangevende bedrijven zijn economisch gezien groot en wijdvertakt. Door onderaanneming en uitbesteding is de bedrijfsstructuur gefragmenteerd en onoverzichtelijk. Het zijn kop-staartbedrijven geworden waarbij enkel het begin van het productieproces – onderzoek en ontwerp – en het einde – verkoop en marketing – direct controleerbaar zijn. Het gebrek aan nabijheid verhoogt het gebrek aan verantwoordelijkheid t.a.v. de strikte productieactiviteiten. Bedrijven die in beschuldiging gesteld worden, vechten soms de aanklacht aan als die ingediend is in een staat die eerder de slachtoffers gunstig gezind is – meestal het thuisland – en proberen de klacht te verschuiven naar de staat die veeleer tegenover de bedrijfswereld gunstig staat – meestal het gastland.
Bewijsmateriaal
Het bewijsmateriaal moet concreet, tastbaar, volledig en sluitend zijn. Het hoeft geen betoog dat dit een moeilijke opgave is, gezien het gebrek aan transparantie en de zwakke positie van de werknemers die vaak niet georganiseerd zijn en hun rechten nauwelijks kennen. Actiegroepen hebben daarenboven weinig ervaring in het samenstellen van en klachtendossier dat beantwoordt aan de gangbare normen van het gerecht.
Vertrouwelijkheid
Het vrijgeven van informatiebronnen kan de positie van individuele werknemers in gevaar brengen en er uiteindelijk ook toe leiden dat een bedrijf zijn orders helemaal terugtrekt en verhuist naar een andere leverancier of een ander land. De opvolger kan erger zijn maar in het ergste geval staan de werknemers volledig op straat.
Belang
De personen of organisaties die de klacht indienen, moeten ofwel duidelijk kunnen aantonen dat ze belanghebbende partij zijn, m.a.w. dat ze getroffenen zijn in de zaak ofwel moeten ze dit doen op grond van het algemeen belang.
Capaciteit
Een rechtszaak aanspannen is niet goedkoop. En bovendien moet de actiegroep die klacht neerlegt, erop voorzien zijn dat ze binnen de kortste keren ook een dagvaarding kan ontvangen, bijvoorbeeld een schadeclaim wegens smaad. Dit legt een zware druk op de organisatie die over voldoende mensen en middelen moet beschikken om de zaak vol te houden tot het einde en dit kan lang duren.
Juridisch advies
Het is noodzakelijk voor actiegroepen die een rechtszaak willen aanspannen tegen een groot bedrijf dat ze kunnen rekenen op degelijke juridische ondersteuning.
Beeldvorming
Alleen al in termen van geloofwaardigheid is de prijs niet in te schatten als een actiegroep een rechtsgeding verliest. Hoewel, zelfs een mislukking kan voor goeie publiciteit zorgen, als de campagne namelijk voldoende in de belangstelling kwam en de feiten breed bekendgemaakt werden.
TUSSEN DROOM EN DAAD
Wat nodig is, is een bindende en afdwingbare wetgeving op internationaal niveau die de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven duidelijk omschrijft en bedrijfsactiviteiten aan regels onderhevig maakt. Dit doel is momenteel nog veraf. Maar een aantal tussenstappen zijn zinvol. Of een rechtszaak het geschikte actiemiddel is voor de Schone Kleren Campagne, is nog niet uitgemaakt. Juristen en actievoerders hebben weliswaar een gemeenschappelijk doel: ondernemingen aansprakelijk stellen voor de omstandigheden waarin hun producten gemaakt worden, maar voorlopig staan er nog wat obstakels in de weg. Eerst en vooral moet een draagvlak gevonden worden voor deze strategie. Zonder steun van de publieke opinie is een rechtsprocedure in het kader van de campagne weinig zinvol. Er moet grondig onderzoek gebeuren naar de toepasbare nationale en internationale juridische instrumenten. En met de hulp van juristen, economisten, enz. moeten instrumenten ontwikkeld worden om de bedrijfsactiviteiten te analyseren, om de impact van bedrijven te meten en om de ontwikkelingen in de bedrijfspraktijken te volgen. Middelen moeten ook voorzien worden om het bijeenbrengen van bewijsmateriaal te bevorderen. En uiteraard is de uitwisseling van informatie en het overleg tussen consumenten- en werknemersorganisaties in Noord en Zuid over de te volgen strategie van het grootste belang.
Terug naar vorige pagina
|