|
|
Kledingarbeidsters krijgen te maken met de informele economie via:
- Delokalisatie van hun onderneming: een kledingatelier kan relatief gemakkelijk verplaatst worden naar regio's waar de kwaliteit gegarandeerd is en kostenfactoren als de arbeidskost, fiscale lasten, nog lager zijn Met name de recente toetreding van China tot de WTO, met zijn onuitputtelijk reservoir van onbeschermde arbeidsters, doet vrezen voor verdere delokalisatie. Nu al zijn miljoenen laaggeschoolde kledingarbeidsters hun werk op die manier kwijtgeraakt.
- Meer informalisering en flexibilisering: kledingfabrikanten ontslaan arbeid(st)ers en duwen ze volledig in de informele sector als 'zelfstandige' thuisarbeidsters die aan een nog lager stukloon zonder enige bescherming lage dagen moeten werken, dikwijls met de hulp van kinderen en familieleden
Voorbeelden van informaliteit/informalisering in de kledingindustrie
Bulgarije
Griekse werkgevers buiten informele Bulgaarse werkneemsters uit die bereid zijn voor heel lage lonen te werken omwille van de hoge werkloosheidsgraad in Bulgarije. In Griekenland bedraagt het minimumloon €500, in Bulgarije €50. Bij een enquête afgenomen van 140 van hen door de Bulgaarse Clean Clothes Campaign bleek dat de meerderheid geen arbeidscon-tract had en tussen de €50 en €125 per maand verdiende. Daarvoor moesten ze meer dan 8 uur per dag werken. Een leefbaar loon bedraagt tussen de €100 en de €200. Het slechtst af zijn de arbeidsters in de sweatshops en de thuiswerksters op het platteland. (I. Tishev, Bulgaarse CCC, Irene/WIEGO Seminarie, juni 2002)
Turkije
Sinds het begin van de jaren '80 is de Turkse kledingexport sterk gegroeid, o.m. omwille van de regeringssteun en de lage arbeidskost. In 1980 had de export van kleding een aandeel van 9% in de totale export; in 1995 was die opgelopen tot 28%. Sindsdien is er een stagnatie door de opeenvolgende financiële en economische crisissen (1994; 1997-1998; 200-2001). Met name de export van goedkope kleding naar Rusland en andere Aziatische landen leed onder de crisis van 1997-1998. In 2001-2001 was er een erge financiële crisis, met sterke devaluatie van de munt. Dat resulteerde in heel wat faillissementen in de sector. Ook de toenemende concurrentie vanuit Noord-Afrika, Oost-Europa (vooral Bulgarije en Roemenië), die meer belastingsvrijstelling, lagere arbeidskosten en ongebruikte quota's aanboden, heeft een aan-deel in de stagnatie.
In Turkije zijn er ca. 2,5 miljoen textiel- en kledingarbeiders, van wie de meesten ongeregi-streerd zijn. Ca. 70% van de vrouwen in de sector verdienen slechts 50% tot 75% van het wet-telijke minimumloon, wat zelf bijlange geen leefbaar loon is. De meeste arbeidsters zijn van het platteland naar de stad komen wonen. Zestig percent werkt in de informele sector. In de jaren '90 verminderde de thuisarbeid, maar de trend is terug omgekeerd: de vrouwen die door de economische crises werden ontslagen, begonnen terug thuis te werken. Ook oudere vrou-wen, vrouwen met kleine kinderen en vrouwen uit conservatieve families verkiezen thuisar-beid. (A. Erendil, Made in Turkey, CCC Newsletter nr. 16, pp. 26-28)
Kwazulu-Natal in Zuid-Afrika
De kledingindustrie in de streek rond Durban in Zuid-Afrika produceert vooral voor de lokale binnenlandse markt. Tot de jaren '90 was de kledingindustrie een van de meest beschermde nationale sectoren (importsubstitutie). In het midden van de negentiger jaren - omwille van de verplichtingen van de WTO, m.n. lagere invoertarieven - kreeg de sector te lijden van goed-kope invoer, vooral uit Zuid-Oost-Azië. Als gevolg van die concurrentie werden ondernemin-gen gesloten, andere zochten hun heil in meer belovende subsectoren, anderen relokaliseerden naar het platteland, waar de arbeidskost lager waren. Sommige distributieondernemingen in-formaliseerden hun verkoop en begonnen op informele wijze geïmporteerde en in het binnen-land geproduceerde kleding te verkopen. Dat deden ze door informele straatverkoopsters te bevoorraden of die zelf in dienst te nemen.
Voor de overblijvende producenten voor de binnenlandse markt was het voornaamste ant-woord op de concurrentie het verlagen van de arbeidskost, door ontslagen, door het aannemen van tijdelijke werkkrachten, door uitbesteding aan onderaannemers en aan thuisarbeidsters. Recent is een nieuwe verontrustende trend ontstaan: een nieuwe vorm van informalisering waarbij de arbeidsters op slag hun statuut van werkneemsters verliezen en voor de keuze ge-plaatst worden om ofwel 'zelfstandige of vrijwillige onderaanneemsters', ofwel werkloos te worden. Dit gebeurt vooral om de nieuwe democratische arbeidswetgeving van na 1994 te ontwijken. Dit nieuwe fenomeen is vooral populair bij de middelgrote en kleine kledingpro-ducenten rond Durban. Ongeveer 80% van de 120 cliënten van het Durban Manufacturing Advisory Centre zijn bij deze praktijk betrokken. De 'contractarbeiders' betalen geen premies voor ziekteverzekering of pensioenen. Officieel is de tewerkstelling in de kledingsector van Kwazulu-Natal verminderd van 45.000 in 1990 tot 19.000 in 2000. Een belangrijk aantal on-dernemingen, met in totaal 16.000 arbeiders, heeft zich echter laten de-registreren. (G. Faku-de, Informalisation in Kwazulu-Natal's Clothing Sector, University of Natal School of Deve-lopment Studies, juni 2000).
Centraal en Oost-Europa en het Gemenebest van Onafhankelijke Staten
In deze regio groeide de informaliteit explosief in twee golven: de eerste vond plaats in de vroege negentiger jaren, toen een zware economische, financiële en sociale crisis volgde op de schok van de overgang naar een kapitalistische economie. Binnen enkele jaren werd door de snelle sluiting en privatisering van de staatsondernemingen hoge werkloosheid gecreëerd. De devaluatie van de munten en de hyperinflatie tastte de koopkracht zwaar aan en leidde tot armoede onder de meerderheid van de bevolking. De mensen waren verplicht om een alterna-tief inkomen te zoeken in de informele economie.
Sinds de late negentiger jaren is het economisch transitieproces sterker verstrengeld geraakt met de globalisering en het integratieproces in de EU. De globalisering houdt sterk verband met de herstructurering van de productieketens in het Westen en de zoektocht naar flexibelere en goedkopere arbeid om concurrentieel te blijven. Deze globaliseringstendens verergert de problemen die samengaan met de economische overgang. De openbare sector en de sociale diensten zijn drastisch gekortwiekt en de regeringen zijn niet geneigd om hun arbeidswetge-ving effectief af te dwingen. Dit, en de afwezigheid van een kritische publieke opinie, dragen bij tot een sfeer van 'alles kan'.
Er zijn in de regio twee soorten landen: a) landen waarin meer geformaliseerde normen wor-den aanvaard; het aandeel van de informele economie in het BNP bedraagt er tussen de 30 tot 50%. b) landen waar de overregulering ondermijnd wordt door de 'informele regulering'; daar bedraagt het aandeel van de informele economie tussen de 50 tot 70% van het BNP (bijv. Rusland).
Typische vormen van informele tewerkstelling zijn:
- bijbanen die ambtenaren, dokters en leerkrachten zoeken in de informele economie;
- klassieke activiteiten als straatverkoop, thuisproductie voor de lokale markt, grensover-schrijdende verkoop;
- gastarbeid in West-Europa (huispersoneel, in de bouw- en landbouwsector);
- onderaanneming vooral assemblageproductie in de globale of Europese productieketens. Dit is een van de voornaamste vormen van informele tewerkstelling en gebeurt in de vorm van thuisarbeid, in micro-ateliers of grotere ateliers. Kleding heeft het grootste aandeel, maar ook schoenen en voeding zijn belangrijke exportsectoren. Het gebrek aan arbeids-contracten, de afwezigheid van vakbonden en collectieve onderhandelingen kenmerken de informaliteit. Zo zijn er ongeveer 10.000 kledingateliers in Roemenië. Slechts in enkele tientallen worden de arbeidsters vertegenwoordigd door vakbonden. Ook gebeurt het veel dat werkneemsters 'officieel' het minimumloon worden uitbetaald (lager dan een leefbaar loon) en alle extra's in het zwart.
De buitenlandse opdrachtgevers komen hier werk uitbesteden vanwege de afwezigheid van arbeidsrechten, wat hen toelaat om met deze uiterst flexibele arbeidskrachten hoge en goed-kope productie te halen. De aanwezigheid van grote aantallen 'gehoorzame' en goed opgeleide vrouwelijke arbeidskrachten is een bijkomende bonus. De lonen van de werkneemsters blij-ven laag, mede door de opvatting dat ze complementair zijn aan die van de echtgenoot-broodwinner. De feiten wijzen echter uit dat ca 60% van de vrouwen alleenstaand of de enige kostwinner in hun gezin zijn.
Typisch is ook de zwakke positie van de onderaannemers t.o.v. de multinationale opdrachtge-vers. De uitbestedingscontracten zijn zeer mobiel en de onderaannemers moeten met heel lage winstmarges werken. Dit verklaart voor een deel de bestendiging van de informele en slechte arbeidsomstandigheden. De uitbestedingsketen wordt trouwens ondersteund door het Europe-se handelsbeleid, want de herinvoer van in het buitenland geassembleerde producten geniet van goedkope invoertarieven.
Deze vorm van informaliteit toont duidelijk aan hoe dat informele tewerkstelling de formele economie 'subsidieert' en dat formele en informele arbeid slechts goed begrepen kan worden in hun onderling verband. (B. Musiolek, Decent Work in the Informal Sector - CEE/CIS Regi-on, CCC Website).
India: Huisarbeid en kledingindustrie
De ongeorganiseerde sector en huisarbeid
Volgens de laatste statistieken heeft India een totale arbeidsbevolking van 378,4 miljoen. Daarvan werkt ongeveer 93% in de ‘ongeorganiseerde’ sector. Die sector omvat ondernemin-gen die, ofwel de minimale grootte niet halen, of die niet formeel geregistreerd zijn. Men schat dat er in die ongeorganiseerde sector ca. 30 tot 50 miljoen mensen huisarbeid verrichten. Over het aandeel van de huisarbeid in het BNP, de export of het inkomen zijn er geen officië-le cijfers. Uit microstudies blijkt dat huisarbeid de ruggengraat vormt van ondermeer de kle-ding-, tapijt-, aggarbati-, voetbal-, halfedelsteen- en juwelenproductie. Het aandeel van vrou-wen en andere onbetaalde gezinsleden in de export van die producten is aanzienlijk.
Huisarbeid: geen prekapitalistisch overblijfsel
Het kapitalistische ontwikkelingsverhaal gaat meestal over het feit dat alle prekapitalistische productiewijzen geleidelijk aan opgenomen zullen worden in de moderne productiewijze, die door haar gebruik van de moderne technologie, schaaleconomie en concurrentievermogen superieur is. Volgens dit verhaal zal de huisarbeid dus door de moderne industriële vormen van productie uiteindelijk weggeconcurreerd worden.
De moderne huisarbeid is echter geen overblijfsel uit het verleden, maar een vorm van pro-ductie en levensonderhoud die typisch is voor de kapitalistische economie in de arbeidsrijke derdewereld. In de voormelde industrieën is de huisarbeid in moderne vorm van vrij recente oorsprong als gevolg van de handelsliberalisering.
Een groot deel van die huisarbeid is geïntegreerd in de specifieke noden van bepaalde secto-ren en subsectoren, en hij wordt aangemoedigd omdat hij werkruimte, werktuigen, gereed-schap en arbeid tegen lagere dan minimumlonen levert aan de werk uitbestedende bedrijven. De huisarbeid is toegenomen omdat de werkgevers de arbeidswetgeving willen omzeilen. Hij is bovendien een uiterst attractieve vorm van tewerkstelling omdat hij een zeer grote werk-flexibiliteit levert—je moet je niets aantrekken van personeel wanneer de vraag daalt en je kunt gemakkelijk meer mensen aantrekken uit een reserve wanneer de vraag stijgt. Hij ver-deelt de lasten voor vast kapitaal (gebouwen, machines, ...) over een groot aantal operationele eenheden. Het is dus een kostenverminderende strategie van de werkgevers, eerder dan een keuze van de huisarbeidsters, zoals soms wordt beweerd. De arbeidsters zijn afhankelijk van de werkgever, maar die draagt geen enkele van de verantwoordelijkheden die hij heeft tegen-over arbeiders met een formeel arbeidsstatuut, zoals veilige en gezonde werkomstandigheden, sociale zekerheid, minimumloon, moederschapverlof of klein verlet.
Een groot deel van de huisarbeid in de moderne economie is dus een onderdeel van de assem-blagelijn van de grote binnenlandse en mondiale markt. Zo zijn bijv. ca. 100.000 migranten-vrouwen uit Kerala, Tamil Nadu en Karnataka voor een minimaal loon werken in de exporte-rende visindustrie van Goa om een bijkomend inkomen te verdienen voor de vissersgezinnen wiens levensonderhoud bedreigd is door de vistreilers sinds de economie is opengesteld.
Huisarbeid: onzeker inkomen
Huisarbeid wordt gekenmerkt door grote onzekerheid. Er zijn sterke seizoen- en cyclische fluctuaties. Bij rijzende vraag neemt het aantal producenten sterk toe, maar hun overleven is niet gewaarborgd. Vele eenheden moeten sluiten omwille van een tekort aan werkkapitaal, ziekte van de gezinsleden, stukke machines, elektriciteitsonderbrekingen en soortgelijke rede-nen. Indien het werk seizoensgebonden is, dan vormt dat een speciale last voor de gezinnen, bijv. zari-borduurwerk rond het festival- en trouwseizoen. Gedurende die maanden zijn hele families betrokken bij het borduurwerk, met werkdagen tot 16 uur per dag. Meisjes bijv. mis-sen dan de school en hun gezicht en gezondheid worden op de proef gesteld.
Recent zijn er pogingen ondernemen om arbeidsnormen te verbinden aan de verdere liberali-sering van de internationale handel. Dat is echter op de WTO ministeriële vergadering in Seattle afgewezen, vooral door de ontwikkelingslanden die dat als een protectionistische truc beschouwden. Het probleem van de ‘sociale clausule’ heeft belangrijke consequenties voor de huisarbeidsters, maar die zijn noch door de voorstanders, noch door de tegenstanders van de sociale clausule naar voren gebracht.
Effecten van gedragscodes
Uit een voorbereidende studie door Singh in de kledingexportsector in Delhi bleek dat er al voor een groot deel van de kledingindustrie die werkt voor de uitvoer een regelend kader geldt. De aankoopagenten van de grote distributieketens inspecteren regelmatig de ateliers en de arbeidsomstandigheden. Werkuren, kinderopvang, toiletten, ruimte, zitcapaciteit enz... worden gecontroleerd en kledingproducenten hebben al verklaringen moeten ondertekenen volgens dewelke bijv. ‘gevangenisarbeid of kinderarbeid niet is gebruikt in de productie van deze kleding’.
Als gevolg daarvan hebben enkele kledingproducenten hun ateliers en arbeidsomstandigheden verbeterd; de meeste echter doen die kosten niet. Ze nemen hun toevlucht tot andere middelen om de regulering te omzeilen. Mijn interviews met kledinguitvoerders brengen aan het licht dat die producenten die grote bestellingen behandelen van ‘schone’ distributeurs stoppen met het tewerkstellen van gehuwde arbeidsters, zodat ze niet voor kinderopvang moeten zorgen, of voor toiletten. In plaats daarvan besteden ze hun productie uit aan huisarbeidsters. Veel producenten hebben nu slechts een klein aantal personeelsleden die meestal alleen maar mo-dellen fabriceert, terwijl de echte productie wordt uitbesteed aan huisarbeidsters via arbeids-agentschappen.
De ‘schone kleren’ campagne heeft dus een directe invloed op de thuisarbeid en de tewerk-stelling van vrouwen. Deze band onderstreept de noodzaak om de huisarbeid binnen de in-vloedssfeer te brengen van een nationaal beleid dat hun bijdrage tot de economie erkent en hun wettelijk statuut en rechten beschermt.
Het debat over arbeidsnormen moet dus bekeken worden vanuit een verschillend perspectief in Noord en Zuid. Het probleem is complex en vol problemen. Ondanks het wantrouwen in de Derde Wereld is de opinie in de ontwikkelde landen erin geslaagd om enkele belangrijke za-ken—kinderarbeid, extreme armoede, dwangarbeid en recht op vakbonden—aan de orde te stellen. Dat zijn inderdaad zo’n belangrijke zaken dat beleidsmensen de reële noodzaak van het opleggen van sommige arbeidminimumnormen niet kunnen negeren.
Huisarbeid erkennen en binnen de invloedssfeer van de wet brengen
Het probleem is dat in Zuid-Azië, waar ca. 90% van de arbeidende bevolking in de informele economie werkt, de IAO basisnormen—vrijheid van vereniging, collectieve organisatie en onderhandeling, vrijheid van dwangarbeid, van kinderarbeid, en minimum werkomstandighe-den—zich niet uitstrekken tot de huisarbeiders, die totaal buiten de invloedssfeer van de ar-beidsnormen vallen. Het is dus absoluut noodzakelijk dat de nationale politiek de belangen van die arbeiders waarborgt door hun arbeidsstatuut te erkennen, hun arbeidsomstandigheden onder de invloedssfeer van de arbeidswetgeving te brengen en hen te laten genieten van socia-le zekerheid.
Daarom moet de nadruk gelegd worden op de discrepantie tussen de grote economische bij-drage die ze leveren aan de export en aan het verdienen van buitenlandse deviezen en het ge-brek aan rechten: huisarbeiders subsidiëren de export van hun land maar hebben geen recht op ziekteverzekering, kindergeld of pensioenen; meisjes die van school gaan om te zorgen voor de jongere kinderen en gezinstaken uitvoeren terwijl hun moeders kleding stikken, borduren of agarbati’s maken, krijgen niets voor hun werk en kunnen niet verder studeren of een beroep aanleren en worden dus zelf huisarbeidsters wanneer ze een gezin stichten. Huisarbeiders sub-sidiëren de kapitaalskosten van de export doordat ze thuis werken en zo ruimte, water, elektri-citeit en gezinstijd inzetten zonder dat ze speciale rechten of prioriteiten krijgen in het huis-vestingsbeleid.
Verder zal naar verwachting met het uitfaseren van het MFA volgens het Textiel- en Kleding-akkoord voor de Zuid-Aziatische kledingexport de concurrentiedruk flink stijgen, zodat de productiviteit zal moeten stijgen en de arbeidskosten onder grote druk zullen komen. Immers, een groot deel van de Zuid-Aziatische kledingexport is gericht op de goedkopere nichemark-ten, met een gemiddelde eenheidsprijs van minder dan US$5. Er is dus een gecoördineerde aanpak van de arbeidsomstandigheden binnen de SAARC (South Asian Association for Regi-onal Cooperation) nodig.
(Navsharan Singh, Situating Home-based Work in the Webs of Macroscape, WIEGO Website)
Brazilië: toename van de thuisarbeid in de textielsector
Tijdens een inleefreis naar Brazilië bezocht ACW-Limburg o.a.Jaraguá do Sul in Santa Cata-rina, een streek met veel textielindustrie, die vooral voor de enorme binnenlandse markt pro-duceert (170 miljoen inwoners).
De textielcentrale van de CAT heeft te kampen met twee grote problemen: de gezondheid op de werkvloer door de enorme verhoging van de werkdruk in de ateliers en de opkomst van de informele arbeid. Steeds vaker ontslaan de ondernemingen mensen om ze daarna opnieuw op te zoeken met de vraag om bij hen thuis in onderaanneming te werken. De werkgevers wach-ten zo lang mogelijk met het doorgeven van de opdracht, met als gevolg onhaalbare deadlines voor de thuisarbeidsters. De enige manier om die deadlines te halen is het inschakelen van de kinderen. Het aanklagen van die wantoestanden is niet gemakkelijk voor de vakbond, omdat deze slavenarbeid in kleine ateliers bij mensen thuis gebeurt, en dus onzichtbaar is. (Uit het verslag Inleefreis ACW-Limburg, www.acwlimburg.be/act_brazilie_2003.htm)
Australië: kledingproductie grotendeels via thuisarbeid
Naar schatting zijn er in Australië meer dan 300.000 thuisarbeiders in de textiel-, kleding- en schoenenindustrie, zowat 14 keer meer dan fabrieksarbeiders. Gedurende de laatste decennia is een groot aantal fabrieken gesloten en doen de kledingproducenten vooral een beroep op thuisarbeidsters. De meerderheid van de thuisarbeidsters wordt gevormd door immigranten en vluchtelingen met een niet-Engelse achtergrond (China, Vietnam, Filippijnen, Birma, Thai-land, enz…). Veel van de thuisarbeidsters werken illegaal buiten het Australische CAO-systeem en velen verdienen slechts tussen de AUD$1 en $2 per uur (AUD$1 = €0,56). Op die manier kan een kledingproducent 3 tot 4 thuisarbeidsters tewerk stellen voor de arbeidskost van één fabrieksarbeidster die aan CAO-tarieven wordt betaald. Het huidige minimumuurloon voor een stikster met vaardigheidsgraad 2 in een atelier is volgens de CAO ca AUD$12.
Na acties van de Fair Wear Campaign, een campagne-netwerk bestaande uit NGO's, kerkelij-ke organisaties en de kleding- en de textielvakbond (TCFUA) dat strijdt voor betere arbeids-omstandigheden van de thuisarbeidsters, werd door de TCFUA en vertegenwoordigers van de kledingdistributie en -producenten een 'Gedragscode voor Thuisarbeidsters' opgesteld. Vol-gens die gedragscode moeten producenten het CAO-minimumloon betalen aan de thuisar-beidsters, verhoogd met een percentage voor jaarlijks verlof en officiële feestdagen. Het stuk-loon wordt bepaald in een handboek waarin per soort kledingstuk de stiktijd wordt aangege-ven. De gedragscode bepaalt ook het minimum en een maximum aantal stukken dat aan een thuisarbeidster kan gegeven worden.
De kledingstukken die volgens deze gedragscode worden gemaakt en de winkels van distribu-teurs die volgens de code werken, mogen een logo dragen.
VS en Canada
In zowel Canada als de Verenigde Staten is er in de grote steden met veel immigranten (Tor-onto, Los Angeles, Florida, New York,…) een groeiende informele tewerkstelling in de kle-dingindustrie. Al of niet legale arbeidsimmigranten doen aan thuisarbeid of werken in zgn. 'sweatshops'.
In Canada zouden er in de streek van Toronto ongeveer 20.000 thuisarbeidsters werken in de productie van vooral vrouwen- en kinderkleding.
De besluiten van een studie over 30 thuisarbeidsters in die regio luiden als volgt:
1. Het stukloon in de kledingsector is niet verhoogd sinds de jaren '80 en er zijn indicaties dat het gedaald is; de arbeidsters ervaren veel problemen met de uitbetaling van het loon, ze worden niet gecompenseerd voor overheadkosten (onderhoud machine, electriciteits- en verwarmingskosten);
2. De werkgevers overtreden massaal de Canadese wet inzake tewerkstelling;
3. De arbeidsters lijden aan fysieke en emotionele aandoeningen maar kunnen niet genieten van sociale verzekering (veel vermeld worden rugklachten en gewrichtspijnen - nek, schouder, armen en vingers, gezichtsproblemen en psychologische klachten);
4. De thuisarbeid vermengt de openbare en privé sfeer en legt bijkomende druk op de wer-kende vrouwen, die voortdurend werk en gezinsverantwoordelijkheden moeten zien te vervullen.
In de VS vindt men de informele arbeid in de kledingindustrie vooral in zgn. 'sweatshops'. Het Amerikaanse Ministerie van Arbeid definieert een sweatshop als een 'werkgever die meer dan één federale of staatsarbeidswet inzake minimumlonen en overwerk, kinderarbeid, thuisar-beid, arbeidsveiligheid en -gezondheid, ontslagvergoedingen of registratie'. Volgens veel ana-listen zien een groei van het aantal sweatshops, en de arbeidsomstandigheden zijn de laatste jaren verslechterd. Volgens een studie van een toevallig staal van kledingondernemingen in Zuid-Californië in 1996 waren 43% van de ondernemingen niet in orde met de wet op de mi-nimumlonen, hadden 55% overuren niet uitbetaald en was een derde niet geregistreerd. Vol-gens experts zijn er in de streek van Los Angeles naast de 5.000 legale kledingondernemin-gen, zowat twee- tot drieduizend ongeregistreerde. In de sweatshops werken vooral arbeids-immigranten zonder papieren, grotendeels vrouwen. In toenemende mate zijn sweatshops eigendom van immigranten-ondernemers van Chinese, Mexicaanse, Koreaanse en Domini-caanse afkomst.
L. Duncan: "Alhoewel historisch de Amerikaanse kledingindustrie vooral arbeidsimmigranten heeft tewerkgesteld, hebben de recente veranderingen in de werkorganisatie van de sector de afhankelijkheid van de kledingindustrie van flexibele laagbetaalde en bijna volledig informele arbeid verhoogd". Vanzelfsprekend heeft het bestaan van zo'n grote informele sector een ne-gatief effect op prijzen en lonen in de formele sector.
(Dynamic Change in de Garment Industry, Department of Labor Website; L. Duncan, The Role of Immigrant Labor in a Changing Economy, National Employment Law Project, 1998; R. Ng, R. Yuk-Lin Wong, A. Choi, Homeworking: Home Office or Home Sweatshop?, UNI-TE 1999.)
Terug naar vorige pagina
|