Kleding en globalisering

Met een jeans of een T-shirt aan hebben we de globalisering om het lijf. De kleding- en sportschoenenindustrie is immers een schoolvoorbeeld van globalisering. Vooral de laatste vijftien jaar kende de internationale kledinghandel een enorme expansie met een verdrievoudiging in waarde van de export van kleding tussen 1980 en 1992 en de opkomst van Azië als belangrijkste kledingproducent. Momenteel zijn het de kledingketens (C&A, Zara, H&M, ...) en de merknamen (Benetton, Levi Strauss, ...) van de distributiesector die bepalen waar en tegen welke prijs kleding gemaakt wordt. Dikwijls hebben ze geen eigen productie maar via wereldwijde, complexe netwerken van onderaanneming komen hun collecties tot stand. Trouwens, niet alleen de productie is internationaal georganiseerd, ook de verkoop. Veel van de kledingketens hebben winkels over heel de wereld. De cruciaalste fase in het productieproces is uiteindelijk niet langer het maken van het product zelf maar de distributie en marketing.

Sinds de jaren ’70 werden enerzijds nieuwe technologieën en geautomatiseerde methoden ingevoerd; anderzijds werd ook heel wat arbeidsintensieve productie gedelokaliseerd naar lagelonenlanden. Naast massaproductie tegen een lage prijs, proberen bedrijven met onderaanneming en informalisering verder een antwoord te geven op de flexibiliteit die een voortdurend veranderende markt vereist.

Om de toenemende concurrentie uit de lagelonenlanden tegen te gaan, werd in 1974 het Multivezelakkoord gesloten. Hierdoor werd kleding uit lagelonenlanden onderworpen aan vaste invoerquota en hoge invoertarieven. Dit akkoord bleef geldig tot 1994. Tijdens de Urugayonderhandelingsronde kwam in 1995 in het kader van de WHO een nieuw akkoord tot stand. Dit hield in dat over een periode van 10 jaar de quota op invoer werden afgebouwd. Sinds 1 januari 2005 is dit quotasysteem verdwenen.

Deze evolutie heeft geen gunstig effect gehad op de arbeidsomstandigheden. Het doorgedreven onderaannemingssysteem laat multinationals toe om afstand te doen van hun verantwoordelijkheid t.a.v. werknemers. En dit terwijl de arbeidsvoorwaarden aan het uiteinde van de productieketen in de informele sector slechter zijn dan in de formele economie en het voor werknemers uitermate moeilijk is om zich te organiseren of op te komen voor hun rechten. En zelfs in situaties waar een vakbond opgericht werd en men er in slaagt om druk uit te oefenen, is de plaatselijke directie vaak niet in een positie om aan de eisen te voldoen omdat haar macht t.a.v. de multinational te beperkt is.

Brochure 'kleding en globalisering '



Terug naar vorige pagina