Waar worden onze kleren gemaakt?
Wie heeft de macht in handen in de kledingindustrie?
In welke omstandigheden worden onze kleren gemaakt?
Hoe is de Schone Kleren Campagne ontstaan en welke organisaties werken er aan mee?
Op welke terreinen is de Schone Kleren Campagne actief?
Roept de Schone Kleren Campagne op tot een boycot?
Wat zijn sterke punten van de Schone Kleren Campagne?
Waarom heeft de Schone Kleren Campagne een gedragscode ontwikkeld en wat staat er in?
Als kinderen die in een kledingfabriek werken, ontslagen worden, heeft die familie toch helemaal geen inkomen meer?
Hoe bepaal je wat een leefbaar loon is?
Bestaat er een lijst van bedrijven die 'schone kleren' verkopen?
Wat wordt bedoeld met 'onafhankelijke' controle?
Worden schone kleren niet heel duur?
Hoe reageren de kledingbedrijven?
Gebruiken bedrijven hun gedragscodes niet om actievoerders te sussen?
Zijn de arbeidsomstandigheden nu al beter?
Kunnen we de kledingarbeidsters ook rechtstreeks steunen?
Waarom zegt de Schone Kleren Campagne zo weinig over milieunormen?
Is het eigenlijk niet een taak van de overheid om te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden?

Waar worden onze kleren gemaakt?

De kledingindustrie is een schoolvoorbeeld wat globalisering betreft. Onze kleren zijn echte wereldproducten: gemaakt aan de ene kant en gekocht aan de andere kant van de wereld; kledingketens hebben zowel leveranciers als winkels over de hele wereld verspreid.

In de zestiger en zeventiger jaren, toen de verhuizing vanuit West-Europa begon, waren Zuid-Korea, Taiwan, Tunesië en Hongkong populaire bestemmingen. Echter, na een aantal jaren stegen daar de lonen, onder andere door de opkomst van sterke vakbonden, en de nieuwe verhuizingen volgden. Thailand, de Filippijnen, Bangladesh, India en Sri Lanka zijn landen die in de tachtiger jaren populair werden en waar nog steeds veel kledingproductie plaats vindt. Nieuwere bestemmingen zijn: Cambodja, Laos, Birma, Vietnam, en vooral China. Ook Oost-Europa is sinds een paar jaar een belangrijk kledingproducerend gebied geworden. De lonen zijn weliswaar hoger dan in Azië, maar de korte afstand naar de West-Europese winkels maakt deze regi o toch aantrekkelijk, vooral voor de zogenaamde kortelijnsmode. Ook in Afrika vindt kledingproductie plaats voor de Europese markt, bijvoorbeeld in Mauritius, Madagaskar en Zimbabwe. In Midden-Amerika wordt vooral voor de Amerikaanse markt geproduceerd. Een deel van de productie is 'teruggekeerd' naar West Europa, met name naar ateliers in de grote steden en naar thuiswerksters.

Wie heeft de macht in handen in de kledingindustrie?

Momenteel zijn het de kledingketens (C&A, H&M, ...) en de merken (Nike, Levi Strauss, ...) van de distributiesector die bepalen waar en tegen welke prijs kleding gemaakt wordt. De fabrieken waar de kleren gemaakt worden, zijn geen eigendom van de kledingketens. Kledingproductie komt tot stand door middel van uitbesteding. Op die manier worden risico's afgewenteld en concentreren de bedrijven zich op het stukje waar de hoogste winsten behaald worden: de verkoop. In de kledingindustrie vinden we ook enkele machtige merken. Denk maar aan de spijkerbroekengigant Levi Strauss. Zulke bedrijven hebben vaak nog wel een paar productielocaties in eigendom, maar ook hier vindt veel uitbesteding plaats. De verkoop van deze producten vindt vooral via anderen plaats, al zijn er soms ook eigen winkels. Het onderscheid tussen kledingketens en merken wordt steeds vager. In de sportgoederenindustrie vinden we dan weer vooral grote merken. Nike, Adidas, Reebok en Puma zijn hier de giganten. Ook hier vindt het leeuwendeel van de productie plaats via uitbesteding. Uitbesteding kan op veel verschillende manieren georganiseerd worden. Algemeen kan gesteld worden dat bedrijven proberen risico's af te wentelen op anderen. Tegelijkertijd proberen ze een zo groot mogelijke controle over de productie te hebben en dit alles willen ze zo goedkoop mogelijk. Omdat kledingindustrie niet veel kapitaalinvestering vereist -met een paar naaimachines kom je al een heel eind- is het relatief makkelijk om productie te verplaatsen. Door snelle communicatie-en transportmogelijkheden kan die verplaatsing de hele wereld over gaan. Bedrijven zijn steeds op zoek naar plekken die het beste aan hun eisen voldoen. Lage lonen zijn een zeer aantrekkelijke factor, maar ook goede infrastructuur, belastingvoordelen, gunstige in- en exportvoorwaarden, geen vakbonden en een overheid die weinig aandacht heeft voor het naleven van arbeids- en milieuwetgeving.


In welke omstandigheden worden onze kleren gemaakt?

Viëtnamese vrouwen die sportschoenen maken, worden op hun hoofd geslagen als ze een fout maken. Arbeidsters in China die voor Esprit produceren, moeten 93 uur per week werken. Indonesische vrouwen die Adidas en Kappa-producten maken, worden ontslagen omdat ze staken. Roemeense arbeidsters die H&M kleren maken verdienen een loon dat ver beneden het bestaansminimum ligt. Dit zijn een paar recente voorbeelden. Deze gevallen weten we toevallig, omdat we contacten hebben met vakbonden of vrouwenorganisaties ter plekke, of omdat wij en andere campagnes onderzoek doen. Hoe meer contacten en hoe meer onderzoek, hoe meer van dit soort verhalen bekend worden. Alle ketens van de Belgische markt zijn er bij betrokken. Het is de normale praktijk.

De toegenomen concurrentie tussen bedrijven uit zeer sterk verschillende landen in Noord en Zuid heeft dus in geen geval een gunstig effect gehad op de arbeidsomstandigheden. In sommige derdewereldlanden (Bangladesh, India, Sri Lanka) zijn de lonen in de kledingindustrie de laatste jaren zelfs gedaald. Werkweken van 70 uur zijn geen uitzondering en inbreuken tegen vakbondsvrijheid zijn frequent. Ook kinder- en dwangarbeid komen in de kledingindustrie voor. Daarnaast resulteert de globalisering ook in een verschuiving van tewerkstelling in het formele circuit naar niet-gereglementeerd thuiswerk en productie in illegale ateliers. Alhoewel licht gedaald, blijft het aandeel van vrouwelijke werknemers in de kledingindustrie zeer groot: 75% van de arbeidskrachten. Dat aandeel is nog hoger in landen waar arbeidsintensieve productie geconcentreerd wordt in vrijhandelszones. Vrouwen worden niet alleen gediscrimineerd omdat ze het grootste aandeel vormen van de arbeidskrachten in een sector met de laagste lonen, langste werkdagen, met weinig perspectief op promotie of opleiding, in een precair statuut. Ze worden daarnaast ook nog gediscrimineerd t.o.v. mannen wat betreft hun loon, de toegang tot bepaalde functies en omdat ze vaak het slachtoffer zijn van seksueel geweld. In de informele sector ziet de situatie er niet beter uit. Thuisarbeid als oplossing voor vrouwen die huishoudtaken willen combineren met betaalde arbeid, heeft veel nadelen: thuiswerk wordt meestal minder betaald dan fabriekswerk; op piekmomenten moeten lange uren gewerkt worden; veelal is er geen geschreven contract; er is geen sociale bescherming of controle op veiligheid en gezondheid... Thuisarbeidsters hebben overigens dikwijls geen keuze: ze moeten thuiswerk aanvaarden omdat er geen ander werkgelegenheid is.

Hoe is de Schone Kleren Campagne ontstaan en welke organisaties werken er aan mee?

De Schone Kleren Campagne is een tiental jaar geleden ontstaan in Nederland als een consumentencampagne die actie voert voor betere arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie wereldwijd. Momenteel loopt de campagne in 11 Europese landen (Nederland, België, Frankrijk, Engeland, Zweden, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Spanje, Italië, Portugal). De nationale campagnes zijn autonoom en bestaan uit samenwerkingsverbanden van vakbonden, vrouwen- , jongeren- , consumenten- en derdewereldorganisaties. In totaal meer dan 200 organisaties. In België zijn er twee campagnes: een Nederlandstalige Schone Kleren Campagne en een Franstalige Campagne Vêtments Propes. De gesprekken met Belgische bedrijven gebeuren door een gemeenschappelijke contactgroep. De coördinatie van de Europese campagnes en het internationale netwerk verloopt via een secretariaat in Amsterdam.


Op welke terreinen is de Schone Kleren Campagne actief?

De Schone Kleren Campagne is actief op 4 terreinen. In de eerste plaats maakt de Schone Kleren Campagne consumenten bewust van de omstandigheden waarin kleding gemaakt wordt en biedt hen de mogelijkheid om actie te voeren. Ten tweede oefent de Schone Kleren Campagne druk uit op kledingbedrijven, vooral op de marktleiders met een sterk imago, opdat ze werk zouden maken van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Actie en dialoog worden hierbij afgewisseld: soms gebruikt de Schone Kleren Campagne onthullende dossiers; maar de Campagne gaat ook meestal de dialoog aan met bedrijven om hen te overtuigen een gedragscode aan te nemen. Ten derde steunt de Schone Kleren Campagne rechtstreeks werknemers tijdens arbeidsconflicten door internationale solidariteitsoproepen te beantwoorden met protestbrieven aan directies of overheden. En ten slotte neemt de Schone Kleren Campagne ook deel aan het politieke debat over gedragscodes, arbeidsnormen, labels;.. op Belgisch, Europees en internationaal vlak.


Roept de Schone Kleren Campagne op tot een boycot?

De Schone Kleren Campagne wil op een positieve manier actie voeren en wil dus geen boycot van één bepaald merk of één bepaalde keten. Met consumentenacties wil de Schone Kleren Campagne kledingketens onder druk zetten om werk te maken van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. En jawel, mensen zijn bereid tot actie. En namen noemen van bedrijven blijkt nodig te zijn om resultaten te bereiken. De Schone Kleren Campagne is er al enkele keren in geslaagd om met een massale actie (vb. Actiekaart, petitieaffiche, supportersvignetten, jongerenactiedagen in Antwerpen en Brugge) bedrijven zoals H&M, C&A, Benetton, GB, adidas een duw in de rug te geven. Enkele ludieke media-acties, bijvoorbeeld met de kerstvrouw in de Brusselse Nieuwstraat of met 'de vuile was' op marktpleinen en in winkelstraten, vonden een brede weerklank in de media. Via het 'onrecht scoort slecht'-minivoetbaltornooi n.a.v. de EURO2000 en de sportdag in mei 2001 breekt de Schone Kleren Campagne uit naar sportievelingen die zich op een actieve manier willen inzetten en manifesteren. De BV's uit de politieke, sport- en cultuurwereld die aan één of andere actie meegedaan hebben, zijn zelfs al niet meer op twee handen te tellen. En zeker niet onbelangrijk is de medewerking van vakbondsmilitanten en winkelpersoneel in het algemeen die in het bedrijf waar ze werken, de campagne op verschillende manieren steunen.


Wat zijn sterke punten van de Schone Kleren Campagne?

Iedereen draagt kleren. Het is dus een concreet en herkenbaar thema voor mensen waar ze zich persoonlijk betrokken bij voelen. Bovendien bezorgt de Schone Kleren Campagne mensen geen gevoel van onmacht of schuld maar biedt ze met laagdrempelige, ludieke acties de mogelijkheid om iets te DOEN. Van geweld of een boycot is geen sprake. De Campagne gaat ook verder dan een aanklacht. Met een combinatie van actie en dialoog roept de Campagne de bedrijven op om hun verantwoordelijkheid op te nemen en doet constructieve voorstellen. Haar sterkte haalt de Schone Kleren Campagne zeker ook uit het brede samenwerkingsverband met een grote diversiteit aan organisaties in Noord en Zuid en uit een effectief gebruik van communicatietechnologie om informatie uit te wisselen over bedrijven en acties; om solidariteitsoproepen te beantwoorden. En volharding is uiteraard doorslaggevend.


Waarom heeft de Schone Kleren Campagne een gedragscode ontwikkeld en wat staat er in?

Toen de Schone Kleren Campagne 10 jaar geleden startte eerst in Nederland en de jaren daarna in meerdere landen, was het hoofddoel om MNO's zo ver te krijgen dat ze hun verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden over de hele uitbestedingsketen zouden aanvaarden. In die beginjaren werd vooral actie gevoerd rond concrete cases en bedrijven. Midden de jaren '90 groeide vervolgens de nood aan een meer structurele benadering die bedrijven ertoe zou dwingen om de schendingen te voorkomen door een consequent en effectief beleid te voeren. Zo kwam, na 2 jaar overleg, in samenwerking met het Aziatische netwerk en de internatonale vakbondsfederaties de Schone Kleren gedragscode ('model code for the apparel industry including sportswear') tot stand. Van bedrijven aan de top van de productieketen wordt vereist dat ze een reeks IAO-normen naleven en die naleving garanderen voor de hele onderaannemingsketen. Het gaat om volgende basisrechten:

het recht op organisatie en collectieve onderhandelingen, geen dwangarbeid, geen kinderarbeid, geen discriminatie, maximum aantal werkuren per week, veiligheid en gezondheid, een leefbaar loon, een duidelijk arbeidsstatuut. De bedrijven moeten eveneens een controle aanvaarden van een onafhankelijke instantie die hiervoor speciaal opgericht wordt en waar vakbonden en NGO's in vertegenwoordigd zijn. Uitdrukkelijk wordt ten slotte gesteld dat de code nooit collectieve onderhandelingen of nationale arbeidswetgeving kan vervangen.

Als kinderen die in een kledingfabriek werken, ontslagen worden, heeft die familie toch helemaal geen inkomen meer?

Als bij een controle blijkt dat er kinderen werkzaam zijn, is het geen goeie oplossing om die kinderen te ontslaan. Daarmee is de oorzaak van het probleem niet aangepakt en het enige gevolg zal zijn dat ze ergens anders aan de slag gaan om geld te verdienen, vaak onder slechtere omstandigheden, bijvoorbeeld in de bouw. Om de situatie van werkende kinderen te verbeteren zijn andere dingen nodig. In de Schone Kleren gedragscode zijn daarom aparte procedures opgenomen met betrekking tot kinderarbeid. Als in een fabriek werkende kinderen worden aangetroffen, is stap één om ervoor te zorgen dat hun aantal niet toeneemt. De fabriek moet dus als er vacatures zijn geen nieuwe kinderen aannemen, maar alleen mensen die oud genoeg zijn, afhankelijk van de wetgeving is dat 14 of 15 jaar. Een volgende stap is dat de kinderen minder uren gaan werken met behoud van hun loon, waardoor er tijd beschikbaar komt voor onderwijs. Dat heeft natuurlijk alleen maar zin als er dan ook voorzieningen voor onderwijs getroffen worden. Uiteindelijk moeten werkende kinderen vervangen worden door volwassenen, als dat mogelijk is uit dezelfde familie.


Hoe bepaal je wat een leefbaar loon is?

Vaak zijn er wel cijfers van een nationaal bureau voor statistiek dat berekeningen maakt van de armoedegrens. Er wordt dan uitgegaan van een bepaalde 'boodschappenmand' met basisbehoeften voor een familie. Ook de Verenigde Naties maken zulke berekeningen. Er zal uiteindelijk voor één systeem gekozen moeten worden zodat je in alle landen dezelfde berekening gebruikt. Het is in ieder geval heel makkelijk om vast te stellen dat het minimumloon in veel landen op dit moment beneden het bestaansminimum ligt, omdat het verschil tussen die twee zo groot is. Vaak zou het minimumloon feitelijk verdubbeld moeten worden om in de basisbehoeften te voorzien.


Bestaat er een lijst van bedrijven die 'schone kleren' verkopen?

Nog niet. Maar het is op termijn wel de bedoeling om de consument hierover te informeren. Een lijst publiceren van winkels die 'schone kleren' verkopen, komt neer op koopadvies geven en dit is zeer delicaat. De informatie moet namelijk 100% betrouwbaar zijn. En dat kan alleen maar als er een degelijk controlesysteem is. Momenteel werkt de Schone Kleren Campagne, samen met verschillende bedrijven, nog volop aan zo'n systeem. Ondertussen is het van groot belang om duidelijke signalen te geven dat de consument wakker ligt van dit soort vragen. Informatie geven aan de consument is bovendien eigenlijk ook een opdracht van de bedrijven zelf. Het recht op informatie is immers één van de fundamentele rechten van de consument. Dat wordt ook erkend in de wetgeving van een groot aantal landen. De consument moet op basis van de juiste informatie kunnen kiezen of hij het product (al dan niet) wenst te kopen. Er zijn reeds wetsvoorstellen gelanceerd die de onderneming verplichten aan de consument de nuttige informatie te geven over alle elementen die voor hem "van belang" zijn. Als het gaat over ethische criteria zijn de huidige wetsbepalingen op dit moment echter te vaag om dat recht afdwingbaar te maken. Maar de tendens is klaar en duidelijk: op termijn dwingen vragen over het ethische gedrag van bedrijven hen hierover te communiceren.


Wat wordt bedoeld met 'onafhankelijke' controle?

Wanneer is controle onafhankelijk? Onafhankelijk van wie? Bedrijven willen namelijk nogal eens roepen dat zij al onafhankelijke controle hebben. Ze hebben dan bijvoorbeeld een aparte afdeling in hun bedrijf opgericht, of een nieuwe dochteronderneming, die tot taak heeft om toe te zien op naleving van de gedragscode van het bedrijf. 'Onafhankelijk van onze inkoop' roept het bedrijf. Ja, maar het is nog steeds het bedrijf zelf dat het doet. Sommigen gaan nog een stapje verder en huren een ander bedrijf in om voor hen controles uit te voeren, bijvoorbeeld een internationaal accountantsbureau. 'Onafhankelijk van het bedrijf' roept het bedrijf. Ja, maar de informatie die verzameld wordt is nog steeds alleen toegankelijk voor het bedrijf. Als consument weet je nog steeds niet wat er gebeurt en wat het bedrijf bijvoorbeeld doet als ze constateren dat de code overtreden wordt. Vaak is dan een reactie om niet meer met deze onderaannemer te werken. Voor de arbeidsters is dat geen verbetering. Die hebben dan nog steeds dezelfde slechte arbeidsomstandigheden. In het ergste geval, als de onderaannemer erg afhankelijk was van de opdrachten van het bedrijf dat daar nu mee stopt, kunnen ze zelfs hun baan verliezen omdat er geen werk meer is.

'Onafhankelijk' betekent dus niet alleen dat het niet het bedrijf zelf is dat de controles uitvoert, maar ook dat er een vorm van publiek toezicht is. Arbeidsters moeten op de één of andere manier een directe stem in zo'n controlesysteem hebben. Zij hebben het recht op de arbeidsomstandigheden zoals die in een code omschreven staan. En ook consumenten moeten vertegenwoordigd zijn. Zij hebben het recht om te weten of een bedrijf zich daadwerkelijk aan haar code houdt. Alleen dan kunnen zij ethische argumenten betrekken in hun keuze om producten van een bepaald bedrijf te kopen.


Worden schone kleren niet heel duur?

Nee. Het kledingbedrijf kan natuurlijk altijd proberen om een dergelijk systeem te gebruiken als argument voor prijsverhogingen, maar feitelijk is dat onzin. Als we uitrekenen wat de hoeveelheid arbeidsloon is in de uiteindelijke verkoopprijs van een kledingstuk komen we altijd onder de 5% uit. Meestal is het zelfs nog minder. Dat betekent dat in het extreme voorbeeld als de lonen verdubbelen en die verhoging helemaal wordt doorberekend aan de consument, een jeans van €50 maximum €52,5 gaat kosten. Er zullen in sommige gevallen ook investeringen gedaan moeten worden in betere verlichting, ventilatie, veiligheidsmaatregelen etc. Maar als een bedrijf failliet gaat aan het aanschaffen van een paar werkende brandblussers en goeie tl-verlichting was het natuurlijk sowieso al geen lang leven meer beschoren. Als we dergelijke investeringen doorberekenen in een productprijs komen we nog niet eens op centen uit. En nog even een vooroordeel uit de weg ruimen: dure kleren zijn niet automatisch 'schone' kleren. Het is belangrijk om te weten dat het de markt is die de prijs dicteert die wij als consument betalen. Kledingketens gaan, bijvoorbeeld, bij hun concurrenten kijken hoeveel die voor een gelijkaardig kledingstuk vragen en passen dan hun prijs aan. Vandaar ook dat een Levi's jeans in de VSA goedkoper is dan in Europa.


Hoe reageren de kledingbedrijven?

Enkele jaren terug ontkenden veel bedrijven gewoonweg dat er problemen waren met de arbeidsomstandigheden. Nu staan we zo ver dat de meeste bedrijven de problemen en hun verantwoordelijkheid hierrond erkennen. Dit blijkt uit het feit dat ze een gedragscode aannemen, dat ze deelnemen aan conferenties of debatten omtrent maatschappelijk verantwoord ondernemen, dat ze aanklachten i.v.m. schendingen onderzoeken, uit de vele publicaties rond dit thema enz. Verschillende bedrijven hebben hiervoor speciaal personeel aangeworven of een departement opgericht dat zich bezig moet houden met de uitbouw van een sociaal beleid of de controle van de arbeidsomstandigheden. Een aantal bedrijven in Zweden, Zwitserland, Frankrijk, Nederland en Engeland heeft een overeenkomst ondertekend en neemt deel aan pilootprojecten om een onafhankelijk controlesysteem te ontwikkelen. Voorlopig zijn er in België geen concrete overeenkomsten met de bedrijfswereld. Dit heeft o.a. te maken met het feit dat er weinig Belgische kledingketens aanwezig zijn op de Belgische en Europese markt.


Gebruiken bedrijven hun gedragscodes niet om actievoerders te sussen?

De kleding- en sportschoenenindustrie speelt een voortrekkersrol in het debat over sociaal verantwoord produceren. De imagogevoeligheid van die sector en de consumentenacties die daarop inhaken, zijn daar ongetwijfeld niet vreemd aan. Bedrijven reageerden op de aandacht voor slechte arbeidsomstandigheden en schendingen van arbeidsrechten met eigen gedragscodes die uitgerekend de belangrijkste normen vaak niet bevatten: recht op organisatie en collectief onderhandelen, recht op een leefbaar loon. De gedragscode van veel bedrijven voldoet niet op een aantal punten. Ten eerste, enkele codes zijn te beperkt van inhoud. Ze gaan, bijvoorbeeld, alleen over kinderarbeid. Ten tweede, de tekst van een aantal bedrijfscodes is vaag geformuleerd. Daardoor is het zeer moeilijk om aan te tonen dat een bedrijf zich niet aan de code houdt. Het is, ten derde, ook niet altijd voldoende duidelijk hoe ver de verantwoordelijkheid van het bedrijf strekt. Slaat de inhoud van de code, bijvoorbeeld, ook op de arbeidsters van een onderaannemer of op thuiswerksters? Verder, een gedragscode is geen PR-instrument. De inhoud van de gedragscode moet gekoppeld worden aan een beleid en concrete maatregelen. En ten slotte, zolang bedrijven weigeren een onafhankelijke controle toe te staan, blijft het zeer moeilijk om een goed oordeel te vormen over wat de bedrijven werkelijk doen. De uitzonderingen niet te na gesproken, laten bedrijfscodes dezelfde tekortkoming zien als arbeidswetgeving, namelijk een gebrekkige toepassing. Soms worden codes zelfs gebruikt met een negatief gevolg, bijvoorbeeld om de nationale wetgeving te ondermijnen of vakbonden te verhinderen dat ze werknemers organiseren. Desondanks vormen bedrijfscodes een geschikt campagne-instrument. Ze stellen MNO's opnieuw verantwoordelijk voor hun werknemers, onafhankelijk van de plaats waar die werken of wie de werkgever is. Op die manier kunnen grote distributeurs en merken aangeklaagd worden omdat ze niet alleen hun eigen beleidslijnen niet naleven maar ook omdat ze internationaal erkende normen schenden.


Zijn de arbeidsomstandigheden nu al beter?

Het zou echt voorbarig zijn om te spreken van een algemene verbetering van de arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie. Niettemin, de internationale solidariteit heeft er in concrete arbeidsconflicten toe bijgedragen dat er een overeenkomst tussen vakbond en directie bereikt werd. Door de toegenomen belangstelling en de consumentendruk hebben verschillende grote kledingketens maatregelen genomen om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren waarvan de impact al voelbaar is. Werknemersorganisaties stellen zelf dat ze zich door de Schone Kleren Campagne nog beter bewust geworden zijn van de globalisering van het productieproces met dikwijls negatieve gevolgen voor de werknemers en dit was voor hen een stimulans om zelf tot actie over te gaan


Kunnen we de kledingarbeidsters ook rechtstreeks steunen?

De Schone Kleren Campagne heeft contacten met organisaties in landen waar kleding wordt gemaakt. De samenwerking met een groot aantal arbeidsorganisaties van overal ter wereld, met inbegrip van vakbonden, organisaties van thuiswerkers en migranten is zeer intensief. De Schone Kleren Campagne heeft een systeem van internationale solidariteitsoproepen opgezet: organisaties en individuen worden gemobiliseerd om bij zware arbeidsconflicten te reageren tegen schendingen van arbeidsrechten met brieven of mails naar de directie, de overheid van het betrokken land of naar de betreffende kledingketens. Hierdoor wordt de internationale solidariteit versterkt. Daarnaast wordt met organisaties uit het Zuiden informatie uitgewisseld over de kledingindustrie en over consumenten- en werknemersacties. Ten slotte wordt er overlegd en gezamenlijk onderzoek gedaan over de te ontwikkelen strategieën en middelen (gedragscodes, onafhankelijke controle, klachtenprocedures, etc.).


Waarom zegt de Schone Kleren Campagne zo weinig over milieunormen?

De Schone Kleren Campagne heeft het over de kledingproductie, dat wil zeggen, het stuk van de productie dat begint met het knippen van de stof en eindigt bij de verkoop in de winkel. Niet dat er geen problemen zijn met arbeidsomstandigheden in alle daaraan voorafgaande fases (verbouw van katoen, het maken van vezels, het weven van textiel), maar je kunt alleen eisen stellen aan winkelbedrijven over dat deel van de productie waar zij ook daadwerkelijk controle over hebben. In het stuk van de kledingproductie zitten weinig milieu-aspecten. Die vinden we eigenlijk vooral in de daaraan voorafgaande fasen, bijvoorbeeld het verven van textiel, het krimp- en kreukvrij maken van stof, het gebruik van pesticiden in katoenverbouw. Voor campagnes en codes die deze delen van de productie betreffen, zou het dus bijna vanzelfsprekend zijn om ook milieu-eisen op te nemen.


Is het eigenlijk niet een taak van de overheid om te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden?

Het is inderdaad de taak van de overheid om te zorgen voor goede arbeidswetgeving en toe te zien op de naleving daarvan. Die wetgeving lukt vaak nog wel; veel kleding producerende landen hebben goede wetgeving op dit vlak. Het probleem is dat die niet nageleefd wordt . Een oorzaak daarvoor is dat veel derdewereldlanden door hun hoge schulden te maken hebben met Structurele Aanpassingen Programma's van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Zij worden daardoor gedwongen een beleid te voeren dat erop gericht is om buitenlandse investeringen aan te trekken. Kleding- en andere lichte industrie (schoenen, speelgoed, elektronica) is vaak de eerste stap in de industrialisering van een land en past dus heel goed in dit beleid. Buitenlandse investeerders komen af op lage lonen, maar ook andere factoren spelen een rol in het aantrekkelijk maken van een land. Eén daarvan is het niet hoeven naleven van arbeids- en milieuwetgeving. Als een overheid hier wel strikt op gaat letten, zullen veel investeerders al snel een land verderop gaan zitten, vooral als die overheid wat soepeler is. Derdewereldlanden beconcurreren elkaar dus feitelijk op slechte arbeidsomstandigheden. Nu is het ook weer niet zo dat een overheid helemaal geen macht heeft over investeerders. En ook niet alle bedrijven rennen weg als er een paar wetten worden ingevoerd. Het loont dus zeker wel de moeite om er ook bij overheden op aan te dringen dat zij ervoor zorgen dat hun arbeidswetgeving wordt nageleefd. Maar het is wel zo dat de macht van overheden tegenover (grote) bedrijven beperkt is, en dat het een internationaal probleem betreft dat niet op nationaal niveau opgelost kan worden. Een andere, belangrijke reden waarom de wetgeving niet nageleefd wordt, is namelijk dat de structuur en macht van MNO's de nationale wetgeving overstijgen en hun productie- en handelspraktijken ontsnappen aan het bereik van nationale wetten. Bij gebrek aan een mondiaal regelgevend kader, opereren ze als transnationale bedrijven dus in een vacuüm. Er zijn weliswaar inspanningen gedaan op intergouvernementeel niveau (bvb. De VN-gedragscode, de OESO-richtlijnen) maar een verplichte en afdwingbare regelgeving die de praktijken van MNO's aan banden legt, bestaat nog steeds niet. En het belooft een werk van lange adem te worden om hierin verandering te brengen. Op nationaal vlak zien we recent in verschillende Europese landen een reeks initiatieven omtrent maatschappelijk verantwoord ondernemen.