Eerste pilootprojecten (1999 - 2001)

De ontwikkeling van de Schone Kleren gedragscode in 1997, gebaseerd op IAO-conventies en met principes omtrent toepassing en controle, was enerzijds een evolutie naar een meer structurele aanpak in het afdwingen van arbeidsrechten in de kledingsector en anderzijds een manier om het groeiend aantal ondermaatse bedrijfscodes naast een gemeenschappelijke maatstaf te kunnen leggen. Daaruit bleek dat de Schone Kleren Campagne zich niet beperkte tot een aanklacht maar ook mee wou werken aan alternatieven en aldus ook een stem wou hebben in het gedragcodedebat. Op gelijkaardige wijze waren de eerste pilootprojecten inzake onafhankelijke controle een middel om enerzijds zelf praktijkervaring op te doen m.b.t. controlesystemen en anderzijds de valkuilen van commerciële auditsystemen aan te wijzen. Op Europees en internationaal niveau gaf de uitwisseling van de bevindingen van de pilootprojecten inzake onafhankelijke controle een eerste beeld van de knelpunten en sleutelvragen in het debat rond gedragcodes en onafhankelijke controle. De eerste lessen toonden dat gedragcodes een effectief instrument kunnen zijn om de positie van werknemers te versterken en gebruikt kunnen worden op plaatsen waar er voldoende democratische ruimte is voor organisaties om deel uit te maken van zo’n systeem.

De pilootprojecten hebben een eerste beeld opgeleverd van de sleutelelementen en knelpunten bij het ontwikkelen van de verschillende controlemodellen. En dit op verschillende niveaus: de distributeur, de leverancier, het controlesysteem.

  • Distributeur

Kosten en prijsbepaling
De vraag is wie de kosten betaalt voor de uitvoering van de gedragscode, de zogenaamde ‘werkelijke kost’ waar een correcte prijsbepaling mee samenhangt. In het algemeen wordt aangenomen dat de kost voor de onafhankelijke controle lager is dan de implementatiekosten. Bovendien gaat het niet alleen om de kost van monitoring en onafhankelijke controle maar ook om het budget voor het starten en in stand houden van controle-instanties.

Relatieve macht van de koper
In de verhouding tussen distributeur en leverancier heeft eerstgenoemde vaak meer macht dan laatstgenoemde. Dit is een realiteit waar rekening mee gehouden moet worden om de code toe te passen.

Informatieverstrekking en rapportering
Van bedrijven wordt verwacht dat ze allerhande informatie verstrekken, zij het aan de auditeur, zij het aan de stichting. Daar moet verder over nagedacht worden: welke informatie moet aan wie verstrekt worden. In de praktijk blijkt de opspoorbaarheid beperkt. Wanneer bedrijven een groot aantal leveranciers hebben, is een inventaris van de leveranciers en bestellingen de eerste stap. Ook cruciaal is vertrouwelijke informatie. Bedrijven vrezen soms dat ze delicate bedrijfsinformatie zullen moeten onthullen als ze meewerken aan controlesystemen. Een oplossing hiervoor is dat bedrijven die informatie enkel verschaffen aan de onafhankelijke controle-instantie.

  • Leverancier

Code-inhoud

Stroomlijning
Er bestaan nog steeds verschillen tussen de codes die door de verschillende initiatieven gehanteerd worden. Naar een standaardcode toewerken, is belangrijk om te controleren op basis van dezelfde normen en een gemeenschappelijk kader te ontwikkelen voor monitoring en controle.

Vrijheid van vereniging
In veel productielanden is vrijheid van vereniging een groot probleem. Het is ook moeilijk om na te gaan in welke mate dit recht gerespecteerd wordt. Vooral in China is het een cruciaal thema. Dit is ook het geval als de werknemers in een bepaald land, een bepaalde fabriek niet georganiseerd zijn. Betekent dit dat het recht op vereniging niet getolereerd wordt of zijn er andere redenen waar werknemers zich niet organiseren.

Leefbaar loon
Er zijn meer en meer studies over het bepalen van een leefbaar loon maar het is nog steeds moeilijk om die definities te vertalen naar een controleerbare norm. Als de lonen niet voldoende zijn, stelt zich daarnaast de vraag, welke maatregelen genomen moeten of kunnen worden om een leefbaar loon te garanderen.

Monitoring en controle
Nood aan internationale auditcriteria
Audits gebeuren op verschillende wijzen en door verschillende actoren. Het is belangrijk om die audits te beoordelen volgens internationale criteria.

Relaties
De verhoudingen die monitoring en controle beïnvloeden, zijn: de relatie tussen NGO’s en vakbonden in productielanden; de relatie tussen distributeurs en leveranciers, leveranciers die niet bereid zijn mee te werken; het scepticisme van NGO’s en vakbonden voornamelijk in productielanden t.a.v. vrijwillige initiatieven.

Stakeholderdeelname
Eén van de belangrijkste uitdagingen voor een monitoring- en controlesysteem is bepalen wanneer de verschillende stakeholders betrokken moeten worden: het ontwikkelen van de code, het dichten van de kloof tussen de vooropgestelde normen en de realiteit op de werkvloer, de onafhankelijke controle? De implementatie van een code is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de bedrijven en de stakeholders hoeven niet onmiddellijk een rol te spelen hierin. Daar tegenover staat dat voor monitoring de multistakeholderbenadering essentieel lijkt, al hangt dit ook af van de manier waarop de onafhankelijke controle opgevat is.

Lokale participatie
NGO’s en vakbonden moeten op plaatselijk niveau ingeschakeld worden voor monitoring en onafhankelijke controle. Interviews van werknemers kunnen enkel afgenomen worden door organisaties die het vertrouwen hebben van die werknemers. Hoewel, plaatselijke NGO’s zijn niet altijd bereid om in de fabriek met de directie te praten, uit schrik dat ze hun positie en hun onafhankelijkheid op de helling zetten. M.a.w. ze willen geen auditeurs worden. Een andere moeilijkheid is de juiste combinatie vinden van organisaties en mensen die voldoende capaciteit hebben en vervolgens hun kennis op een goeie manier integreren. Ook de rol van lokale organisaties m.b.t. correctiemaatregelen vraagt verder onderzoek.

Eigendom
Capaciteit, kennis en een besef van ‘eigendom’ omtrent gedragscodes zijn voor plaatselijke organisaties, zowel vakbonden als NGO’s en ook de industrie een noodzaak. Dit vraagt tijd en inspanningen.

  • Systeem

Meetinstrumenten
Er is nood aan instrumenten om de impact en effectiviteit van codes te meten en dit t.a.v. werknemers maar ook t.a.v. distributeurs en leveranciers.

Duurzaamheid
De schaal waarop de pilootprojecten werkzaam zijn, is beperkt. De pilootprojecten en de verschillende auditmodellen moeten uiteindelijk leiden naar een permanent systeem dat de naleving van arbeidsrechten garandeert over de hele lijn van de uitbestedingsketen. Procedures en methodes moeten ontwikkeld worden die bruikbaar zijn voor veel fabrieken en in veel landen. Met een groot en eventueel variërend aantal leveranciers kan dit jaren in beslag nemen en misschien nooit sluitend zijn.

Klachtensysteem
Via een klachtenprocedure moeten werknemers zich kunnen richten tot de instantie die bevoegd is om de naleving van de code te controleren, om hun ontevredenheid over specifieke arbeidspraktijken te uiten. Het is nog niet duidelijk hoe ze op een veilige manier toegang kunnen krijgen tot het klachtensysteem, bij wie die klachten terecht moeten komen en hoe ze opgevolgd moeten worden. Aangezien het uitgesloten is dat alle werkplaatsen geïnspecteerd worden, is zo’n klachtenprocedure een belangrijk luik van een duurzaam monitoring- en controlesysteem. Het is zelfs mogelijk dat een toegankelijk en betrouwbaar klachtensysteem de enige oplossing is om de verdediging van arbeidsrechten te garanderen in geval van schendingen. De toegang moet niet alleen gewaarborgd zijn voor individuele werknemers maar ook voor vakbonden en NGO’s. Een andere vraag die hieruit voortvloeit, is hoe klachten van buiten de context van de pilootprojecten momenteel behandeld moeten worden.

  • Allerlei

Verhouding tussen multistakeholder initiatieven
Het aantal initiatieven neemt toe, telkens gebaseerd op andere normen en methoden. Het wordt verwarrend voor consumenten, bedrijven en campagnes om de verschillen en de verhouding tussen die initiatieven te zien.

Verhouding tussen campagnes en pilootprojecten
De overeenkomsten tussen Schone Kleren Campagnes en bedrijven doen vragen ontstaan over de scheiding tussen het campagnewerk en het projectwerk. Hoe reageren, bijvoorbeeld, als er schendingen gerapporteerd worden waarbij bedrijven van pilootprojecten bij betrokken zijn? Wordt er overeengekomen dat deze bedrijven niet geviseerd zullen worden door de campagnes. In Nederland werd dit opgelost door een aparte controlestichting te creëren. Dit is niet het geval in Frankrijk waar de campagne rechtstreeks betrokken partij is in het pilootproject.

Beperkingen van codes als strategie
Het gebruik van gedragscodes wordt vaak beschouwd als een nieuwe manier van multinationals om onder de controle van de overheid uit te geraken. De verhouding tussen codes en nationale arbeidswetgeving is cruciaal en moet op elk echelon van het bedrijfsleven – van distributeur tot leverancier – bekeken worden. In een aantal gevallen werden codes gebruikt om de nationale wetgeving te ondermijnen en dit kan geenszins het opzet zijn.