Bedrijfseconomisch
De kledingkleinhandel is in België vooral in handen van enerzijds kledingketens met eigen merken en anderzijds discountkledingketens zonder eigen merken. Van de 10 grootste kledingbedrijven op de Belgische markt (omzet in 2003) zijn er 9 winkelketens en slechts één producent. Bij die 9 ketens zijn er 4 Nederlandse, 3 Belgische en telkens 1 Zweedse, Spaanse en Franse. Vijf zijn merkkledingketens en 4 (discount-)kledingketens. Van de Velde is de enige kledingproducent in de top tien die niet verkoopt in een eigen winkelketen.
Al een paar decennia hebben de Belgische kledingproducenten – net als hun buitenlandse collega’s - het grootste deel van hun arbeidsintensieve activiteiten naar de lagelonenlanden verplaatst. Sommige bedrijven geven de voorkeur aan eigen ateliers, de meeste laten de kleding produceren bij onafhankelijke onderaannemers. Het ontwerp, de marketing, soms aankoop en versnijden van de stoffen en verpakken gebeuren wel nog in België. In 2004 vond nog één derde van de productie (€ 443,2 miljoen) plaats in België. Het gaat dan waarschijnlijk eerder om kleine series van kleding met meer toegevoegde waarde, bijv. met een zeer hoog modegehalte. Volgens Creamoda, de beroepsfederatie van de Belgische kledingsector, gaat de dalende tendens nog altijd verder. In 2004 daalde de productie in België bijv. met ca. 10% in volume en 2,5% in waarde. Ook de investeringen en de werkgelegenheid gingen met ongeveer eenzelfde percentage achteruit.
Ook internationaal bekeken, zijn de meeste grote kledingondernemingen distributeurs met soms een grote waaier merken. Meestal zijn het kop-staartbedrijven. Ze concentreren zich op design, ontwerpen, kwaliteitscontrole, logistiek, marketing en distributie. De productie zelf wordt uitbesteed in lagelonenlanden bij al of niet onafhankelijke producenten.
In de Zuid-Europese landen (Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Griekenland) is er wel nog een behoorlijk grote kledingproductie die zich specialiseert in kleding met hoge toegevoegde waarde, kleinere series, speciale stoffen, e.d. voor de Europese markt. Ook in de andere EU-landen wordt nog kleding geproduceerd.
Er is zowel delokalisering naar lagelonenlanden dicht bij de grote consumentenmarkten, waardoor die snel, flexibel en goedkoop bevoorraad kunnen worden. Voor Europa zijn dat vooral Marokko en Tunesië, Turkije en landen uit het voormalige Oostblok; voor de VS zijn dat Mexico, Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied. Er wordt ook gedelokaliseerd naar landen die verder af liggen, vooral in Oost-Azië en Zuidoost-Azië (China, Vietnam, Indonesië, Cambodja, India, Bangladesh,…). Daar zijn de lonen nog lager, maar het transport is duurder en neemt meer tijd in beslag. In die landen wordt vooral eenvoudige kleding die minder gevoelig is aan kortdurende modetrends geproduceerd: katoenen breigoed zoals T-shirts en sweaters, anoraks broeken, sokken, petjes, werkkleding, enz.…
Tot eind 2004 werkte de internationale kledinghandel met een quotasysteem. Aan ieder land werden quota’s toegekend voor export naar Westerse landen. Door dat systeem konden bepaalde landen die economisch niet zo aantrekkelijk waren, toch een kledingsector ontwikkelen, omdat andere landen hun quota’s helemaal opgebruikten. Voorbeelden zijn Bangladesh, Cambodja, Sri Lanka, Mauritius, bepaalde Afrikaanse landen. Nu de handel helemaal quotavrij is, kunnen Westerse bedrijven laten produceren waar ze willen. Daardoor wordt de internationale concurrentie hevig aangewakkerd en dreigt er een verdere verhuizing naar landen zoals China en India, met sluitingen en massale werkloosheid in andere landen tot gevolg. Vooral China weegt op de internationale concurrentie. De combinatie van grootschaligheid (bijv. tientallen miljoenen interne arbeidsmigranten), de speciale politieke situatie (autoritair regime, zonder vakbondsvrijheid, maar met een kapitalistische economie) en de nabije kledingexpertise van Hongkong, maakt een explosieve groei van de import uit China mogelijk. Die explosieve groei leidde medio 2005 ertoe dat Westerse landen ‘vrijwaringsmaatregelen’ troffen tegenover de invoer uit China, in de vorm van nieuwe quota’s.
De uitbesteding van de productie in lagelonenlanden is al een dertigtal jaar bezig, eerst naar omringende landen, later vooral naar Azië. De merkenbedrijven proberen meer en meer hun merken ook in eigen winkelketens te verkopen. Daardoor verwerven ze controle over hun eigen ‘merkenmanagement’. Verder investeren de bedrijven heel veel in informatietechnologie, zowel om hun complexe wereldwijde bevoorradingsketen logistiek te managen als om de aankooptrends van de consumenten op de voet te volgen.
Sociaal
Onder druk van vakbonden en ‘anti-sweatshop’ consumentencampagnes hebben de meeste grote ondernemingen een sociale gedragscode aangenomen die minimale arbeidsnormen voorschrijft in de hele productieketen. Aanvankelijk leek dat vooral een public-relationsoefening. Maar door de continue druk, gingen de bedrijven hun sociale verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden in de leveringsketen ernstiger opnemen. Gedragscodes werden vollediger, de interne controle werd uitgebouwd en bepaalde merken traden toe tot een organisatie voor onafhankelijke controle – een voorwaarde voor geloofwaardigheid.
Toch zijn de problemen daarmee verre van opgelost.
- De gedragscodes houden meestal slechts de lokale wettelijke minimumnormen in, bijv. inzake loon of sociale zekerheid. Dat is bijna nooit een leefbaar loon.
- Vrijheid van vereniging en recht op collectief onderhandelen zijn in sommige landen, zoals China, Vietnam, wettelijk niet mogelijk.
- Zoals al vermeld worden de meeste externe controles uitgevoerd volgens een checklistbenadering, die heel wat problemen niet kan detecteren.
- En cruciaal is: de prijs die de merkenbedrijven bereid zijn te betalen en de flexibiliteit die ze eisen het de leveranciers onmogelijk om de gedragscode na te leven. Leveranciers worden immers mondiaal tegen elkaar uitgespeeld om op de meest flexibele manier aan de goedkoopste prijs te leveren. In een arbeidsintensieve sector betekent dat concurreren tegen concurrenten uit landen waar de arbeidskosten het laagst zijn.
- De Schone Kleren Campagne is voorstander van multistakeholderinitiatieven, waar werkgevers, vakbonden, ngo’s en andere stakeholders nauw betrokken zijn bij zowel controles, vorming, klachten, verbeterplannen zodat een continue en duurzame verbetering nagestreefd kan worden.
- Daarnaast nemen de grote kledingbedrijven bijna allemaal sociale initiatieven om bijv. lokale gemeenschappen te ondersteunen.
|
|
Met de brochure ‘Wij willen Schone Kleren!’ biedt de Schone Kleren Campagne een overzicht van de engagementen van 26 Kledingbedrijven 'n 7 sportmerken op de Belgische markt wat fundamentele arbeidsrechten betreft bij de productie van kleding en sportschoenen.
Benetton
C&A,
Cassis
Charles Vögele,
E5 Mode
Esprit
Filippa K
G-Star
Gsus
H&M
Hema
Inno
JBC
M&S Mode
Mango
Mayerline
O’Neill
Prémaman
Promod
Springfield
Trafic
Triumph
Vero Moda
We
Zara
Zeeman
|