|
|
Jeans
Let your blue jeans talk... green
Iedereen heeft er wel eentje in haar of zijn kleerkast: een jeansbroek. De jeans is niet meer weg te denken uit het modeaanbod als comfortabel, casual en hip kledingstuk. De consument heeft een enorme keuze aan jeansbroeken. Wat vroeger noodzaak was, is tegenwoordig luxe. Het verhaal achter de jeans is helaas vaak minder 'luxe'.
Wist je dat de productie van kleding een grote ecologische en sociale impact heeft? De problemen doen zich voor in de hele productieketen: van bij de katoenplant tot in je kleerkast.
"Let your blue jeans talk...green" is een samenwerking van Schone Kleren Campagne, Netwerk Bewust Verbruiken, Test-Aankoop, Ecolife en Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling. Het doel van de campagne is consumenten - aan de hand van het voorbeeld jeans - bewust te maken van de ecologische en sociale knelpunten die voorkomen in de productieketen van kleding.
Zandstralen is slecht voor de gezondheid
Op zaterdag 17/7 om 20u10 zond Canvas een reportage uit over zandstralen. Jeansbroeken met een versleten look zijn in de mode. Maar hoe komen die scheuren en bleke plekken in de stof? Vroeger werden de broeken vaak gezandstraald in obscure ateliers in Turkije. Nefast voor de gezondheid van de arbeiders. Officieel is zandstralen sinds vorig jaar verboden in Turkije.
Canvas ging op stap met Mehmet, 38 jaar en volledig afgeleefd. Hij begon op zijn 12de in de ateliers te werken. Hij heeft te veel zand ingeademd en lijdt nu aan sillicose of stoflong. Bij de kleinste fysieke inspanning is hij volledig uitgeput. Een zuurstofmasker verlicht het leed, maar genezen zal de man nooit. Mehmet leidt Canvas naar zijn voormalige werkplaats. Canvas probeert met de eigenaar van het bedrijf te kunnen praten maar is er niet welkom. Over het zandstralen wil niemand een woord lossen.
Daarop volgde een onderzoek met een verborgen camera en wordt vastgesteld dat niet alle bedrijven volgens het boekje werken.
De media in het buitenland besteedden ook al aandacht aan de problemen als gevolg van zandstralen van jeans.
Reportage (Turks) van CNN die laat zien hoe zandstralen gebeurt
Reportage (Spaans gesproken, Engels ondertiteld) met getuigenissen van werknemers en dokter
Artikel (Engels) over Bangladesh
Turkse krant (Engels) over wet die zandstralen verbiedt
Artikel (Duits) over gezandstraalde jeans op de Zwitserse markt Milieu-impact
De ecologische impact van kleding is veel groter dan we vermoeden. Zo worden er bij de teelt van katoen, de belangrijkste grondstof van de meeste kledingstukken en dus ook van jeans, zeer veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Katoen vraagt 25% van het wereldwijde insecticidengebruik, meer dan enig ander gewas. Ook is erg veel water nodig dat vaak al schaars is in gebieden waar men katoen teelt. Verder komen er bij het bleken, verven en kreukvrij maken van textiel heel wat schadelijke stoffen te pas, zoals formaldehyde, aromatische solventen, zware metalen, chloor en azo-kleurstoffen. Voor 1 jeans zijn er gemiddeld 325 gram pesticiden en 10.000 liter water nodig.
Een groot deel van onze kleren wordt tegenwoordig gemaakt in Azië(o.a. Vietnam en China). Ze leggen hierdoor aanzienlijke kilometers af voordat ze in de winkels belanden, waardoor hun ecologische voetafdruk nog meer vergroot. Ook wassen, drogen en strijken van kleren vragen veel water en energie. Wasmachine, droogkast en strijkijzer zijn samen goed voor 20% van het huishoudelijk elektriciteitsverbruik.
Sociaal prijskaartje
Daarnaast zijn de arbeidsomstandigheden in de kledingsector vaak schrijnend. In veel kledingfabrieken en -ateliers krijgen de werknemers, meestal vrouwen, ontoereikende minimumlonen, maken ze veel te lange werkdagen, mogen ze zich niet verenigen in een vakbond en lopen ze hoge gezondheidsrisico's.
|
Levi Strauss
Lee Cooper
VF Corporation (Lee, Wrangler, Maverick...)
Green jeans
Op de site www.greenjeans.be vind je meer in formatie over jeans en een overzicht van verkooppunten, merken en labels die aandacht hebben voor mens en milieu wat betreft grondstoffen en productieproces. Ook kun je er de ecologische voetafdruk van je jeans berekenen, en staan er tips op om bewuster met kleding om te gaan. Een bewuste consument en een verhoogde vraag naar duurzame alternatieven voor jeans kunnen ertoe leiden dat deze kleding sneller haar weg vindt naar de Belgische markt.
De campagne Let your blue jeans talk... green is tot stand gekomen met de steun van de Vlaamse Overheid
|
Een globaal verhaal in je broekzak
'Denim' en jeans: een oud verhaal kort verteld
Al heel lang wordt er werkkledij gemaakt uit een sterk katoenen weefsel dat meestal blauw gekleurd wordt. Het weefpatroon heet in het Nederlands 'keperstof' of 'gekeperde' stof. In het Engels wordt het weefsel 'denim' genoemd, naar een Frans-man, Serge de Nîmes, die de stof al in de 17de eeuw weefde.
Broeken in die stof werden later in de V.S. 'waist overalls' of '(blue) jeans' genoemd naar de zeelui uit de Italiaanse havenstad Genua, die ze veel droegen.
De moderne jeans werden voor het eerst vervaardigd in 1873 in San Francisco door een kleermaker, Jacob Davis. Hij was op het idee gekomen om de hoeken van de zakken en andere aan sleet onderhevige naden te versterken met koperen klinknageltjes (spijkerbroek). Dat sloeg aan en om zijn vinding te beschermen vroeg hij er, samen met handelaar Levi Strauss, een patent voor aan. Hij kon namelijk de $68 die er voor nodig waren niet zelf betalen.
De eerste jeans werden vooral gedragen in Californië, door goudzoekers en arbeiders die gedurende de Gold Rush in de goudmijnen werkten. Later werden jeans gedragen door werklui in heel de Verenigde Staten.
Van arbeiderskleding tot wereldverschijnsel
Jeans maakten een steile opgang na de 2de W.O., toen filmsterren uit Hollywood (vooral in westerns) en later de idolen uit de popmuziek ze begonnen te dragen. Sindsdien hebben jeansfabrikanten en -verkopers enorm veel geld besteed aan dure en uitgekiende publiciteitscampagnes om jeans te promoten. Zoals bij de meeste publici-teit wil men de consument doen geloven dat jeans dragen hem of haar een aantrekkelijk imago bezorgt: jeugdig, jong van geest, vrij en ongebonden, vlot in de omgang (tegenover het burgerlijke pak), geassocieerd met de helden van het witte doek, enz… De campagnes zijn zo verfijnd dat men erin gelukt is om consumenten van alle leef-tijdscategorieën en levensstijlen te overtuigen jeans te dragen.
Katoen, natuurlijk?
Katoen is een natuurlijke vezel die gevormd wordt door de zaadpluizen van de ka-toenplant. Ondanks de opkomst van de synthetische vezels (nylon, acryl, viscose en polyester) blijft katoen iets minder dan de helft (46%) van de wereldvezelproductie uitmaken. Dat is verwonderlijk omdat er aan synthetische vezels verscheidene voordelen zitten: de productie is beheersbaar en kan in principe overal gebeuren, terwijl de katoenteelt gebonden is aan klimaat en kwetsbaar is voor weersomstandigheden, ziekten en plagen. Industriële vezels zijn sterker en gemakkelijker te onderhouden.
Waarom houdt katoen betrekkelijk goed stand? Chemische vezels hebben ook nade-len: ze houden weinig warmte vast en zijn weinig ademend. Ze zijn daarom niet pret-tig om dragen in koud of erg warm weer. Bovendien zijn de nadelen van katoen (krimpen en kreuken) door chemische behandelingsmethodes sterk verminderd. Ten derde is de katoenteelt veel productiever en concurrentiëler geworden door de aanwending van moderne landbouwtechnologie: plantenveredeling, kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. Katoentelers zijn de grootste afnemers van landbouwbestrijdings-middelen (150.000 tot 250.000 ton/jaar).
- Milieuaspecten van de katoenteelt:
De katoenteelt is een monocultuur die in een warm klimaat veel water vereist. De grootschalige irrigatie kan de watervoorraden uitputten en door verzilting kan de bodem onvruchtbaar worden. (We verwijzen naar de milieuproblemen rond het Aralmeer)
• Het massale gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen verontreinigt bodem en water.
• Schadelijke planten en dieren bouwen weerstand op zodat steeds grotere hoeveel-heden moeten worden gebruikt.
• De gezondheid van de omwonende bevolking en de plantagearbeiders wordt ern-stig bedreigd (schade aan zenuwstelsel, kanker, genetische afwijkingen,…).
In veel landen zijn inmiddels de gevaarlijkste stoffen (DDT, dieldrin) verboden; dat neemt niet weg dat ze in sommige landen nog steeds worden toegepast.
- Milieuaspecten van de katoenweefselproductie:
Bij de productie van de katoenen stof worden heel wat milieubelastende chemicaliën gebruikt. In landen die het niet zo nauw nemen met milieubeleid kan de gezondheid van de arbeiders op de werkvloer en van de omwonenden geschaad worden door lucht- en waterverontreiniging.
• Chemisch behandelen van de ruwe katoen tegen schimmels
• Voorreinigen met natronloog;
• Bleken van het garen, vaak met het milieubelastende chloor, in het Westen met het veel minder schadelijke waterstofperoxyde;
• Verven met synthetische kleurstoffen;
• Nabehandeling of 'finishing' om de stof krimp- en kreukvrij te maken;
• Bleken of 'stonewashing' met chloor (of waterstofperoxyde) en puimsteen.
Gangbare katoen mag dan wel een 'natuurlijke' vezel zijn, een imago dat de produ-centen graag beklemtonen, de teelt en productie ervan zijn allesbehalve natuurlijk.
Het groeiend milieubewustzijn bij de consumenten (en enkele producenten) heeft kledingbedrijven gestimuleerd om kledij uit biologische katoen aan te bieden. Een tweetal jeansmerken zijn uit biologisch katoen vervaardigd.
Biologisch katoen
Dit katoen is ten eerste biologisch of organisch geteeld: zonder kunstmest en che-mische bestrijdingsmiddelen. Vervolgens is de stof bewerkt met milieuvriendelijke hulpstoffen: geen chloorverbindingen, zware metalen, formaldehyde, wassen met natuurlijke zeep, bleken met waterstofperoxide.
|
Van fabrikanten tot merkverkopers
Lee Cooper, Lee, Levi Strauss, en zovele andere kledingbedrijven met een eigen jeansmerk, zijn allang zelf geen grote jeansfabrikanten meer. Op zoek naar de gunstigste (dit is vooral goedkoopste) productieplaatsen hebben ze de fabrieken verplaatst (gedelocaliseerd) van de Westerse landen naar lagelonenlanden. Tegenwoordig concentreren de kledingdistributeurs zich meer en meer op de verkoop, marketing, promo-tiecampagnes, mode, enz… en hebben ze de productie uitbesteed aan onderaanne-mers.
Delocalisatie in een geglobaliseerde economie
Die delocalisatie van de confectienijverheid is sterk vergemakkelijkt door de geglobaliseerde economie, waarin landen uit alle werelddelen en met verschillende culturen intensere handelsrelaties aangaan.
Dat komt ondermeer door de vele vrijhandelsakkoorden die binnen de Wereld Han-delsorganisatie (WTO, World Trade Organisation) tussen meer en meer landen worden afgesloten. Daardoor kunnen producten gemaakt in de derde wereld zonder opgelegde quota (maximale hoeveelheid die kan ingevoerd worden) of hoge importtarieven in de Westerse landen worden verkocht. Ze krijgen zo veel gemakkelijker toegang tot onze markten.
Multi-vezelakkoord ('74-'94)
Om de toenemende concurrentie uit de lage-lonenlanden te bestrijden werd in 1974 het Multi-vezelakkoord gesloten. In dat akkoord werd de kleding ingevoerd uit de lagelonenlanden onderworpen aan vaste invoerquota en zeer hoge invoertarieven. Dit akkoord bleef geldig tot 1994. In 1995 werd dat akkoord op de Uruguayronde van de WTO opgenomen in de GATT-akkoorden als het Agreement on Textiles en Clothing (WTO – 1995-2005)
Dat akkoord bepaalt dat over een periode van 10 jaar (1995-2005) de quota op in-voer geleidelijk aan werden afgebouwd en dat de importtarieven veel lager worden.
|
De kleding- en sportschoenenindustrie is bovendien ook een gemakkelijk te ver-plaatsen industrie. Als de lonen laag zijn kost de productie met veel handenarbeid niet veel. Knip- naai- en strijkmachines volstaan veelal en zijn gemakkelijk te transporteren. De productie is dan arbeidsintensief, d.w.z. dat er relatief veel arbeid nodig is om te produceren. Bovendien moet het personeel niet hoog geschoold zijn. Het arbeidsproces wordt ook opgesplitst in kleine repetitieve stappen die gemakkelijk aan te leren of in te oefenen zijn door ongeschoolde arbeidskrachten. Zo komt het dat de kledingin-dustrie een van de sectoren is die gemakkelijk verplaatst kan worden naar derdewereldlanden en Oost-Europa.
De lagelonenlanden verwelkomen investeerders met open armen. Het schept werkgelegenheid, en investeringen zijn goed voor hun economie in het algemeen (handelsbalans, munt). Voor economieën in ontwikkeling is de kledingindustrie een laagdrempelige sector: er zijn weinig hoogwaardige technologie of goed opgeleide arbeidskrachten voor nodig. De regeringen doen meestal hun uiterste best om de werkgevers ter wille te zijn. Inbreuken op de arbeidswetgeving - die er meestal op papier wel is - worden oogluikend toegestaan. Of de regering creëert speciale vrijhandelszones of exportzones.
Vrijhandelszones of exportzones
Dat zijn zones waar exporterende ondernemingen van speciale voordelen genieten, bijv. verbod op vakbonden en collectieve onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden, lagere belastingen. In Centraal-Amerika worden die maquilas genoemd, in Azië soms EPZs of export processing zones.
|
Overigens is de concurrentie binnen de groep van lagelonenlanden groot en vindt er een voortdurende relocatie plaats binnen die landen. Vroeger werd veel geproduceerd in Taiwan, Korea en Hong Kong. Ondertussen zijn veel ondernemingen verhuisd naar 'nieuwkomers' zoals China, Indonesië, Vietnam, Pakistan, waar de arbeid nog goedkoper is. Deze relocatie heeft bovendien de gastarbeid in Zuidoost-Azië doen aangroeien.
De meeste landen, ook die in de derde wereld, hebben de basisconventies van de Internationale Arbeidsorganisatie - IAO of ILO, International Labor Organisation - dus wel ondertekend, maar de wil ontbreekt om de toepassing ervan bij de bedrijven af te dwingen.
De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO, ILO)
Een instelling van de Verenigde Naties met zetel in Genève, waarin regeringen, inter-nationale werknemers- en werkgeversorganisaties werken aan de arbeidsomstandig-heden in de wereld. Daartoe worden conventies over de basisrechten van de arbeiders opgesteld en regeringen die ze ratificeren, worden geacht die conventies in hun nationale arbeidswetgeving om te zetten en af te dwingen.
De IAO kan haar conventies dus niet rechtstreeks door bedrijven doen toepassen.
|
Een keten van onderaannemers
De onderaannemers produceren vooral in landen waar de lonen uiterst laag en an-dere productieomstandigheden gunstig zijn. De Levi's jeans in je kast is misschien in elkaar gestikt in de Filippijnen, Indonesië, China, Polen of Roemenië. De onderaanne-mers zijn in een hevige onderlinge concurrentiestrijd verwikkeld en bieden tegen me-kaar op met lage prijzen om orders binnen te rijven. Omdat ze dikwijls aan de geboden prijs geen winst kunnen maken, besteden ze op hun beurt uit aan andere onderaan-nemers, meestal kleine ateliers waar de arbeidsomstandigheden nog ongunstiger zijn, en op hun beurt besteden die ateliers de productie soms uit aan thuisarbeidsters. Deze hele uitbestedngsketen bestaat dus uit verschillende niveaus van onderaannemers, dikwijls uit verschillende landen. De kledingketen zelf weet soms niet door wie en waar de jeans die ze verkopen, geproduceerd zijn.
Een smet op m'n jeans?
Alhoewel de kledingketens hun uiterste best doen om hun merk als iets unieks aan te bieden, is er veel gemeenschappelijks aan al die verschillende jeans. En dat heeft vooral te maken met de omstandigheden waarin ze gemaakt zijn. In de kledingindustrie, die nu een wereldwijd netwerk vormt, wordt kleding vooral gemaakt door vrou-wen die lange uren werken voor uiterst lage lonen in mensonwaardige arbeidsomstandigheden.
De meeste werkgevers geven de voorkeur aan vrouwen. Ze denken dat ze minder vlug klagen en, wegens de stereotiepe houding in veel landen tegenover vrouwen, krijgen ze een lager loon. Sommige fabrieken betalen wel het wettelijk bepaald minimumloon, maar in verreweg de meeste gevallen is dat geen leefbaar loon, dit wil zeg-gen een loon waarvan je kunt leven. Maar veel ondernemingen betalen zelfs het mini-mumloon niet.
Andere slechte arbeidsomstandigheden hebben te maken met de lange werkuren. Vele kledingarbeidsters werken veel langer dan de internationaal aanvaarde werkweek van 48 werkuren. Veel arbeidsters worden ook verplicht lange overuren te werken zonder bijkomende premie.
Veel kledingarbeidsters wordt het recht ontzegd zich te organiseren om voor hun rechten op te komen. Onafhankelijke vakbonden zijn verboden, of arbeidsters worden geïntimideerd indien ze lid worden of willen samenkomen om iets te doen aan hun werkvoorwaarden. Soms worden gewapende bewakers ingezet of worden vrouwen bedreigd door de fabrieksleiding (toesnauwen, slaan, seksuele intimidatie, ontslag).
Ook komt er kinderarbeid voor, en ongezonde of onveilige arbeidsomstandigheden: tekort aan licht en verse lucht in de vaak tropische hitte, gebrek aan zuiver water, te weinig toegang tot propere toiletten; tekort aan brandveiligheid omdat er geen nood-uitgangen zijn, geen alarmoefeningen of omdat vluchtwegen op slot of versperd zijn.
Het is een ironische wending van de geschiedenis dat kleding die vroeger vooral gedragen werd als arbeidskleding, nu door arbeidsters wordt geproduceerd aan wie veelal de elementairste sociale rechten worden ontzegd. Er is ooit eens berekend dat van de winkelprijs van een jeans gemaakt in een Oost-Europese fabriek ongeveer 1% naar de arbeidster gaat, dus bijv. €0,5 voor een jeans van €50!
Niet bij de pakken blijven zitten
Voor de arbeidsters in de derde wereld is het moeilijk vechten voor betere rechten. De arbeidsters hebben een zware werklast, in de fabriek en in het huisgezin. Ze kunnen zich daarom moeilijk organiseren.
Ze hebben dikwijls ook weinig toegang tot informatie omdat ze slechts kort of geen scholing hebben gekregen. Velen kunnen niet lezen, of spreken de taal van de werkgever niet. Toch wordt overal waar het enigszins kan gevochten voor een menswaar-dige behandeling. Onafhankelijke vakbonden en niet-gouvernementele organisaties helpen de arbeidsters hun rechten op te eisen, hen te vormen en zich te organiseren.
Laat ze niet stikken!
In het Westen zijn meer en meer mensen bewust van de verschrikkelijke omstan-digheden waarin hun kleding geproduceerd wordt. Velen voelen zich verre van ge-makkelijk in zo'n kledij. Daarom hebben activisten van allerlei slag (solidariteitsgroe-pen, ontwikkelingsorganisaties, consumentengroepen, jongeren aan universiteiten, vrouwengroepen, vakbonden, derde-wereldwinkels, enz…) de handen in elkaar gesla-gen en hebben het netwerk van de Schone Kleren Campagne opgericht om de arbeid-sters te helpen in hun strijd voor een menswaardige behandeling. De Schone Kleren Campagne is een actienetwerk (200 meewerkende organisaties in Europa) dat zich vooral tot de consumenten richt. De consument heeft koopkracht en kan die gebruiken ten overstaan van de kledingketens. De bewuste consu-ment kan niet alleen z'n mening uiten, maar ook voor een meer sociaal verantwoord product kiezen.
Overigens wil de Schone Kleren Campagne dat de consument zijn invloed constructief gebruikt: ze roept daarom nooit op tot boycot van een of ander merk, maar streeft ernaar dat de kledingketens hun verantwoordelijkheid opnemen voor de arbeidsomstandigheden in de hele productieketen.
De ene gedragscode is de andere niet
Naast allerlei consumentenacties (voorlichting, protestbrieven, verspreiden van soli-dariteitsoproepen, enz…) heeft de Schone Kleren Campagne een modelgedragscode ontworpen voor kledingketens. Er wordt aan de kledingketens gevraagd die gedrags-code als bindende voorwaarde voor de hele onderaannemingsketen in aankoopcon-tracten op te nemen. Die gedragscode bevat een aantal richtlijnen voor arbeidsvoor-waarden en -omstandigheden, gebaseerd op de belangrijkste conventies van de IAO (leefbare lonen, werkuren, kinderarbeid, recht op onafhankelijke vakbonden, recht op collectief onderhandelingen, enz…). Bovendien vraagt de Schone Kleren Campagne aan de kledingketens daadwerkelijk te controleren of de gedragscode wel wordt toegepast door de onderaannemers en - zeer belangrijk - om onafhankelijke inspectie (o.m. met medewerking van arbeidersorganisaties) op de toepassing toe te laten.
Ondertussen hebben veel kledingketens, onder druk van de publieke opinie en de consumenten, hun eigen gedragscodes opgesteld. Die eigen gedragscodes schieten veelal te kort, vooreerst inhoudelijk omdat ze niet alle belangrijke IAO-normen bevat-ten, maar ook omdat de kledingketens niet zorgen voor voldoende controle op de toe-passing ervan en omdat ze geen onafhankelijke inspectie inhouden. Daarom zijn veel van die door bedrijven zelf ontwikkelde gedragscodes schone schijn, met papieren richtlijnen die louter om public-relations redenen zijn opgesteld.
We moeten de kledingketens blijven onder druk zetten totdat ze een volwaardige gedragscode hanteren waarvan de toepassing onafhankelijk gecontroleerd wordt. Goed nieuws: enkele ketens hebben met de Schone Kleren Campagne pilootprojecten opgezet inzake onafhankelijke controle.
Bewust consumeren
Als bewuste consument kun je dus je koopkracht ten goede gebruiken door je me-ning te uiten en vragen te stellen aan de kledingketens. Zij zijn afhankelijk van je koopkracht en dus heel gevoelig voor je wensen.
Je kan nog een stap verder gaan: zoeken naar het meest verantwoorde product, zowel op sociaal gebied als op mi-lieugebied.
Het zou voor de bewuste consument gemakkelijk zijn indien er een onafhankelijk gecontroleerd keurmerk zou bestaan dat zowel ecologische als sociale minimumnormen garandeert. In de kledingsector wordt een hele reeks verschillende keurmerken, labels en gedragscodes gehanteerd.
Keurmerken en labels
Een label is een merk dat door het bedrijf zelf is aangebracht volgens criteria van het eigen bedrijf en zonder onafhankelijke controle. Zo zijn vele 'ecokledinglijnen' be-drijfslabels die geen of weinig garantie bieden.
Een keurmerk wordt toegekend door een onafhankelijke organisatie, op basis van criteria door die organisatie opgesteld. De controle wordt ook door die organisatie uit-gevoerd. Keurmerken bieden dus veel meer garantie dat het product aan het keurmerk beantwoordt.
|
Het is voor de consument moeilijk zich daarin te oriënteren. Zoals hierboven al gemeld, voldoet geen enkele bedrijfseigen gedragscode. De milieulabels van de bedrijven ook niet. Ten eerste omdat labels niet onafhankelijk gecontroleerd worden; ten twee-de omdat ze in de meeste gevallen slechts de afwezigheid van schadelijke chemische stoffen in het eindproduct - in ons geval de jeans - garanderen. Ze garanderen niets over de milieuvriendelijkheid van de katoenteelt of de bewerking van de geweven stof. Er zijn op dit ogenblik slechts twee onafhankelijk gecontroleerde milieukeurmerken voor jeans: Ökotex en EKO van SKAL. Het eerste gaat over de afwezigheid van che-micaliën in het eindproduct, EKO is een ecologisch keurmerk voor 'biologische' kleding dat het hele productieproces (van teelt tot eindproduct) beslaat samen met een aantal essentiële arbeidsvoorwaarden (verbod kinderarbeid, minimumloon).
|