‘Alternatieve’ kleding

Onder invloed van de fairtrade en anti-sweatshop beweging zijn een aantal initiatieven voor de verkoop van ‘ethische’, ‘alternatieve’ of ‘eerlijk geproduceerde’ kleding ontstaan. Zij willen aan de noden van een groeiend aantal individuele en institutionele consumenten die “schone kleren” wensen, voldoen.

De normen en processen die deze initiatieven gebruiken, verschillen. Voor de betrokken consument is het belangrijk om te kunnen oordelen en te vergelijken. De vraag voor de Schone Kleren Campagne is natuurlijk tot op welke hoogte deze initiatieven beantwoorden aan de criteria van de SKC voor ethische productie: wordt aan de arbeid(st)ers alle basisrechten die te vinden zijn in de modelcode van de SKC gegarandeerd? Controleren de initiatieven de arbeidsomstandigheden op het niveau van de productie? En beantwoordt die controle aan de kwaliteitsnormen? Wordt ze extern en onafhankelijk gecontroleerd, in een proces waarbij ook de arbeid(st)ers en hun organisaties betrokken worden?

Om een inzicht te krijgen in deze initiatieven is wat achtergrondkennis over hun oorsprong nodig. Sommige zijn uit de Europese fair-trade beweging gegroeid. Traditioneel is die toegespitst op de naleving van normen betreffende eerlijke handel, eerder dan van arbeidsnormen. Andere komen uit de VS, waar de kledingindustrie geplaagd wordt door sweatshop arbeidsomstandigheden. Ze werden meestal gelanceerd door activisten in de anti-sweatshopbeweging. Ze hebben de bedoeling aan te tonen dat het mogelijk is om in de VS een leefbaar kledingbedrijf te runnen waarin arbeid(st)ers via hun vakbond collectief kunnen onderhandelen over hun arbeidsvoorwaarden en waar de arbeid(st)ers alle basisrechten genieten.

De eerste initiatieven zijn ontstaan in de vroege jaren ’70 in het kader van de ontwikkelingsbeweging. Noordelijke non-profitorganisaties begonnen producten uit het Zuiden te importeren en te verkopen buiten de gewone commerciële sector. Die initiatieven betalen een overeengekomen eerlijke prijs aan de producenten en een leefbaar loon en basisrechten worden gewaarborgd. Meestal werken de producenten in coöperatieven, die een extra premie krijgen voor gemeenschapsontwikkeling. Tussenpersonen worden zoveel mogelijk vermeden, zodat een groter deel van de prijs die door de consument betaald wordt, naar de producent gaat. De eerste producten die op de markt kwamen waren voedingsproducten zoals koffie, thee, suiker, bananen, waarvoor er nu een aantal gecertificeerde keurmerken bestaan. Die keurmerken bieden aan de consument de garantie dat de producten gemaakt en verhandeld worden volgens een aantal fair-trade normen.

Voor kleding is er echter niet zo’n keurmerk. Voor kleding heeft de Europese fair-trade beweging — hoewel nauw betrokken bij de CCC — deze strategie verworpen, omwille van de volgende redenen:

• Voor de productie van voeding is het relatief gemakkelijk om boeren te vinden die bereid zijn om eerlijk verhandelde thee of koffie te produceren. Voor de kledingproductie is er echter een gebrek aan kleine, onafhankelijke kledingproducenten die eerlijke-handelskleren wensen te maken. Globaal werkt de grote meerderheid van kledingarbeidsters als werkneemsters. Zelfs in heel kleine ateliers aan het einde van de onderaannemingsketens, is er dikwijls een werkgever en een aantal informele werkneemsters. Een hogere prijs betalen aan de werkgever garandeert niet dat de arbeidsomstandigheden verbeteren. En thuisarbeidsters werken meestal niet als onafhankelijke, zelfstandige arbeidsters, maar hebben in feite een werknemersstatuut — zonder enig arbeidsvoordeel — tegenover de persoon die hun het werk bezorgt. Meestal zijn er verschillende thuisarbeidsters nodig om een bestelling uit te voeren, zodat de tussenpersoon niet uitgeschakeld kan worden. De uitzonderingen vormen de echte arbeiderscoöperatieven en georganiseerde netwerken van thuisarbeidsters die gemeenschappelijk kunnen werken ten voordele van alle leden.

• Kledingkleinhandel is complexer dan voeding: de klanten hebben verschillende verwachtingen omtrent maat, ontwerp, enz.. en de sector is het voorwerp van snel veranderende modetrends. On-line kleren verkopen, of via postorders of in ‘wereldwinkels’ zal daardoor waarschijnlijk slechts een beperkt aantal klanten aantrekken. De kledingsector heeft daarenboven betrekking op een zeer gevarieerd aantal producten (van ondergoed tot maatpakken en jassen) voor kinderen, jongeren en volwassenen van beider kunne en gemaakt van een hele waaier van stoffen.

• Fair-trade initiatieven willen de volledige kledingproductieketen controleren (bijv. van katoenteelt over weefsel tot T-shirt), wat heel wat middelen vergt en daarom slechts recent als een reële mogelijkheid werd beschouwd.

Omdat de vraag naar ‘schone kleren’ groeit en enkele bedrijven op de reguliere markt aan de eisen van de CCC beginnen te voldoen, bekijken de fair-trade groepen in het CCC-netwerk hun positie opnieuw.

• Vooreerst creëert de groeiende vraag de mogelijkheid om basiskleding op een economische verantwoorde schaal te verkopen. Dit houdt ook de markt in van de ‘institutionele’ consumenten zoals lokale overheden, scholen, enz…
• Ten tweede maakt het groeiende publiek bewustzijn inzake arbeidsrechten, de expansie van het CCC-partnernetwerk en de verbeteringen aan de controlemechanismen het mogelijk dat men kan aankopen bij echte coöperatieven en netwerken van thuisarbeidsters waar de arbeidsrechten nageleefd worden. De productie van alternatieve kleding spitst zich toe op informele katoenen kleding met weinig toegevoegde waarde zoals T-shirts, sweatshirts, petjes, enz…
• Ten derde hebben de programma’s voor interne en externe controle die opgericht zijn samen met ondernemingen die in de gewone markt opereren niet toevallig het probleem naar voren gehaald dat aan de producent geen ‘eerlijke prijs’ betaald wordt. De producent is dus niet in staat de kosten van de naleving van de arbeidsnormen te betalen. De fairtrade-beweging kan wegens haar positie hier het initiatief nemen en aantonen dat het mogelijk is om zowel een eerlijke prijs te betalen als om menswaardige arbeidsomstandigheden, ruimte voor arbeidersorganisaties en interne en externe controle van hoge kwaliteit te garanderen.

   

'Red', het rode label van Bono

Op het World Economic Forum (februari ’06) lanceerde Bono (U2) het nieuw kledingmerk RED. Een gedeelte van de kledingcollectie zal geproduceerd worden door de kledingmultinational GAP. Het eerste kledingstuk is een T-shirt. De Britse Schone Kleren Campagne (Labour Behind the Label) vroeg zich af of die kleding ook schoon zal zijn.
Vooreerst is RED een liefdadigheidsinitiatief. De bedoeling is dat een gedeelte van de winst direct te goede komt aan het “Global Fund to Fight AIDS, Tuberculosis and Malaria.” RED is dus geen certificatielabel dat garandeert dat het product zelf sociaal verantwoord geproduceerd is.

De Schone Kleren Campagne meent dat kledingbedrijven, vooraleer ze aan liefdadigheid doen, wel best eerst in eigen huis orde op zaken zetten. Een van de beste manieren om mensen in de ontwikkelingslanden duurzaam te helpen, is namelijk hun een goede baan met een menswaardig loon te geven.

GAP is wel een van de grote bedrijven dat al concrete stappen heeft gezet op weg naar sociaal verantwoorde productie:

  • Het bedrijf is lid geworden van een multi-stakeholderinitiatief waarin bedrijven, vakbonden en arbeidsngo’s samenwerken om de arbeidsomstandigheden te verbeteren in de toeleveringsketen, met name het (Britse) Ethical Trading Initiative;
  • GAP heeft ook een lijst van al zijn onderaannemers gepubliceerd;
  • GAP heeft een eigen programma voor fabrieksinspecties dat omvattender is dan dat van de meeste andere bedrijven;
  • Positief is dat GAP het RED T-shirt volledig in Afrika zal produceren, met name in Lesotho. Lesotho’s kledingindustrie heeft de laatste tijd erg te lijden onder de afschaffing van de kledingquota’s: veel kledingproductie wordt gerelokaliseerd naar landen als China en India, met bedrijfssluitingen en werkloosheid in Lesotho als gevolg.

Toch roept de Schone Kleren Campagne GAP op om voor het RED label iets meer te doen:

  • Naam en adres te publiceren van de fabrieken waar de RED kleding wordt gemaakt;
  • De resultaten van sociale inspecties van die fabrieken te publiceren;
  • Derden toe te laten de arbeidsomstandigheden ter plaatse te verifiëren;
  • Aan te tonen dat de arbeidsters zich vrij kunnen organiseren in een vakbond en collectief kunnen onderhandelen over hun rechten.
  • De eerste eis is al gedeeltelijk ingewilligd. Fabrieksinspecties zijn waarschijnlijk aan de gang, maar resultaten van audits van de betrokken fabrieken in Lesotho zijn nog niet gepubliceerd.
  • Ook over de arbeidsrechten ter plaatse is niets bekend.

GAP heeft als kledingbedrijf al meer gedaan dan de meeste andere fabrieken. Toch kan het nog veel meer doen voor de arbeidsters in z’n productieketen. En wat RED betreft: zou het niet mooi zijn, mocht dit T-shirt niet alleen bijdragen tot de strijd tegen AIDS, maar ook duurzaam de Afrikaanse kledingarbeidsters ondersteunen met sociaal verantwoorde jobs?

www.theglobalfund.org