Vrouwen in de kledingindustrie


Naast de textielindustrie zijn de kleding- en schoensectoren traditioneel zeer belangrijke werkgevers voor vrouwen, vooral dan voor functies waar geen scholing voor nodig is en in landen waar weinig alternatieve tewerkstellingskansen voorhanden zijn. Deze twee factoren dragen er trouwens toe bij dat de lonen relatief laag blijven.
Die industriële sectoren vormen weliswaar een onschatbare bron van werkgelegenheid voor vrouwen, maar het gaat vooral om ongeschoolde arbeid. Vrouwen worden vooral tewerkgesteld in eenvoudige productietaken en tot voor kort hebben vrouwen geen betekenisvolle rol gespeeld in functies met meer verantwoordelijkheid.
Alhoewel licht verminderd, blijft het aandeel van de vrouwelijke werknemers in de kledingindustrie zeer groot: 75% van de arbeidskrachten. Dat aandeel is nog hoger in landen die zich specialiseren in arbeidsintensieve productie in vrijhandelszones.

Globaal: enorme verschuivingen


In de geïndustrialiseerde landen, vooral in West-Europa, heeft de groeiende concurrentie van de lagelonenlanden het tewerkstellingspatroon grondig veranderd. In de textiel- en kledingindustrie moest het aandeel van de arbeidskost, vooral van de ongeschoolde arbeid, drastisch verminderd worden. Enerzijds werden nieuwe technologieën en geautomatiseerde productiemethodes ingevoerd, anderzijds werd ook heel wat productie 'gedelocaliseerd', wat leidde tot een belangrijk verlies van arbeidsplaatsen. De vrouwen waren hiervan de eerste slachtoffers. De nieuwe machines vervingen vooral de ongeschoolde arbeidsters; anderzijds waren de vrouwen te weinig opgeleid om de nieuwe machines te bedienen. Deze ontwikkeling was wel meer uitgesproken in de textielindustrie dan in de kledingindustrie, vooreerst omdat het werk daar gemakkelijker te mechaniseren en te automatiseren is, maar ook omdat de kosten voor de modernisering gemakkelijker te dragen waren door de meestal grotere textielondernemingen dan door de meestal kleinere of middelgrote kledingondernemingen.
Wereldwijd zijn er de laatste 30 jaar enorme verschuivingen gebeurd in de tewerkstelling in de kledingindustrie.
De landen met de grootste tewerkstellingsgroei tussen 1980 en 1995 waren Indonesië, Bangladesh, Thailand, Turkije, Sri Lanka en Marokko, allemaal minder ontwikkelde landen. Onder de landen waar de werkgelegenheid in de kledingsector verminderde, waren de USA, Hongkong, Duitsland, Brazilië, Polen, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Japan. De werkgelegenheid steeg dus vooral in de lagelonenlanden en ze daalde in de hogelonenlanden, wat niet verwonderlijk is, gegeven het arbeidsintensieve karakter van de kledingindustrie.

Flexibeler werken


Naast de cruciale rol van de loonkost in de concurrentiekracht worden de kleding- en schoenindustrie ook gekenmerkt door de steeds groter wordende flexibiliteit die van de ondernemingen wordt geëist om te kunnen reageren op een voortdurend veranderende markt.
Modes veranderen snel en dat beïnvloedt het hele productieproces. Om voldoende flexibel te zijn passen bedrijven hun productiemethodes, arbeidsorganisatie en voorraadbeheer aan. Ze vragen ook grotere flexibiliteit van de arbeidsters. In de geïndustrialiseerde landen, maar ook in een groeiend aantal ontwikkelingslanden bestaat de tendens om die activiteiten die het meeste flexibiliteit vereisen, naar onderaannemers door te schuiven. Zo is er de laatste 30 jaar een herverdeling van activiteiten doorgevoerd zodat een groter deel van de 'flexibiliteitslast' door werkneemsters in de ontwikkelingslanden wordt gedragen. In de ontwikkelingslanden zijn tijdelijke arbeidscontracten de regel en zelfs contracten van onbepaalde duur bieden er niet de zekerheid die ze in de industrielanden bieden. Vrouwen werken vaak alleen met een mondelinge overeenkomst, dus zonder schriftelijk arbeidscontract. Dit is de normale gang van zaken in de maquila's van El Salvador, Guatemala en de andere Midden-Amerikaanse landen. Die onzekere contracten zijn het gevolg van de zwakte van de georganiseerde vakbondsvertegenwoordiging en de dreiging van delocalisatie die over de tewerkstelling hangt.
In Azië is de kloof tussen de arbeidswetgeving en de feitelijke arbeidspraktijken ook in dit opzicht groot. Er is een groeiende trend naar contracten van bepaalde (korte) duur en naar deeltijdse contracten. In kleinere ondernemingen en in de informele sector is tijdelijke arbeid, seizoenarbeid en stukwerk per dag het lot van het grootste deel van de werkneemsters. Pogingen van de vakbonden en de overheden om iets aan die onzekere arbeidssituatie te doen worden lopen vaak stuk op de afhankelijkheid van de kleinere onderaannemers van de opdrachtgevers, die de producten op het gevraagde tijdstip geleverd wensen te zien.

Thuisarbeid: optimale flexibiliteit


Voor vele ondernemingen in de kledingindustrie is de meest effectieve manier om optimale flexibiliteit te bekomen de productie geheel of gedeeltelijk aan thuisarbeidsters uit te besteden. Naast de al langer bestaande ambachtelijke thuisarbeid is de laatste tijd vooral de industriële thuisarbeid gegroeid. Deze industriële thuisarbeid bestaat grotendeels uit assemblageactiviteiten zoals het aaneenstikken van door de onderneming geleverde kledingonderdelen. Zowel in Centraal-Amerika als in Azië is de thuisarbeid in opmars: meer en meer ondernemingen in de formele sector besteden een deel van hun productie uit om de loonkosten te drukken en zo beter aan de internationale concurrentiedruk te kunnen weerstaan.
Die thuisarbeid is in het kader van het onderaannemingssysteem interessant omdat ze de marktschommelingen kan opvangen zonder dat de werkneemsters een permanente kost voor de ondernemingen vormen. Daarenboven vergt dit soort van arbeid geen kapitaalsinvestering van de onderneming. Men zou kunnen beweren dat thuisarbeid dé oplossing is voor vrouwen die hun huishoudtaken willen combineren met flexibele arbeid die ook een aanvullend inkomen oplevert. Maar in de meeste gevallen hebben thuisarbeidsters geen keuze, ze moeten de thuisarbeid aanvaarden omdat er voor hen geen andere werkgelegenheid is. Aan thuisarbeid zijn veel nadelen verbonden:

  • Thuisarbeid levert, volgens het aantal gepresteerde uren, niet altijd een fatsoenlijk inkomen op;
  • Over het algemeen wordt thuisarbeid minder goed betaald dan fabrieksarbeid;
  • Op piekmomenten moet lange uren worden gewerkt en de gezinsleden, inclusief de kinderen, moeten dikwijls meehelpen;
  • Veiligheid en gezondheid worden niet gecontroleerd;
  • Er is meestal geen geschreven contract, en geen enkele vorm van sociale bescherming;
  • Thuisarbeidsters kunnen meestal geen lid worden van een vakbond en er is slechts weinig dialoog mogelijk met de opdrachtgever;
  • De arbeidsinspectie heeft weinig aandacht voor deze categorie van arbeidsters en ze hebben weinig rechten.

Al het voorgaande maakt dat thuisarbeidsters, samen met de illegale arbeiders, tot de meest kwetsbare groep in de kledingindustrie behoren.

Vrouwen dubbel gediscrimineerd


Vrouwen worden niet alleen gediscrimineerd omdat ze het grootste aandeel vormen van de arbeidskrachten in een sector met de laagste lonen, de langste werkdagen, met weinig uitzicht op promotie of opleiding, in een onzeker statuut en met weinig of geen rechten.
Ze worden daarnaast nog eens gediscrimineerd t.o.v. mannen wat betreft hun loon, de weigering om ze bepaalde functies toe te vertrouwen en omdat ze vaak het slachtoffer zijn van seksueel geweld.

Lonen


In de Europese Unie, waar de laatste jaren veel politieke aandacht gaat naar het gelijkekansenbeleid verdienen vrouwen nog altijd zowat 15 tot 25 % minder dan mannen. In slechts enkele landen is de kloof enigszins vernauwd kunnen worden (Scandinavië, Duitsland, Frankrijk). In de Oost-Europese landen zijn de lonen in de kleding en schoennijverheid beduidend lager dan in de andere sectoren. De lonen van vrouwen zijn er nog eens meer dan 20% lager dan die van de mannen.
In de ontwikkelingslanden zijn de lonen voor vrouwen - in de formele sector - tussen de 15 en 25% lager dan de lonen voor mannen. Het cijfer zou ongetwijfeld nog veel hoger zijn indien we de informele sector en de thuisarbeid - sectoren die een grote rol spelen in het onderaannemingssysteem en waar helemaal geen cijfers over zijn - zouden kunnen in rekening brengen.

Toegang tot bepaalde functies


Met betrekking tot de toegang tot bepaalde functies worden vrouwen soms geconfronteerd met een stijlzwijgende discriminatie. Vrouwen worden bijv. niet tewerkgesteld in verantwoordelijke functies omdat een eventuele zwangerschap de vlotte werking van de organisatie in het gedrang zou kunnen brengen. De kost van de extra sociale bescherming voor de vrouw wordt aangezien als een probleem dat de concurrentiepositie negatief zou kunnen beïnvloeden.

Promotie: gevarieerd beeld


Wat de soort tewerkstelling betreft varieert de situatie van land tot land. In ontwikkelingslanden die zich technologisch aanpassen aan de verhoogde kwaliteitseisen, zijn de kansen op vorming groter en kunnen vrouwen gemakkelijker doordringen tot het beter betaalde leidinggevend personeel. Voorbeelden: Maleisië, de formele sector in Indonesië, Thailand, de Maghreb landen en Mexico, dat in het kader van de NAFTA zijn productiestructuur drastisch moest verbeteren.
In andere, minder ontwikkelde landen, die zich blijven specialiseren in arbeidsintensieve productie van gemiddelde kwaliteit bedoeld voor massaconsumptie, is de situatie van de vrouwen het minst vooruitgegaan. De meeste vrouwen verrichten er repetitieve en ongeschoolde taken met oudere machines (Bangladesh, Pakistan, Cambodja, Vietnam, Madagaskar, Midden-Amerika). Veel uitzicht op vorming en opleiding is er niet.

Pesterijen en ongewenste seksuele intimiteiten

Er komen extreme vormen van discriminerende praktijken ten overstaan van vrouwen voor: lijfstraffen, pesterijen en ongewenste seksuele intimiteiten.
De kledingindustrie stelt veel, meestal jonge, vrouwen tewerk Vele ongehuwde meisjes komen van het platteland om werk te zoeken in de vrijhandelszones. Die jonge vrouwen, die over het algemeen in de buurt van de fabriek gaan wonen, zijn soms het slachtoffer van ongewenste seksuele intimiteiten op maar ook buiten het werk. Dit seksueel geweld kan verschillende vormen aannemen, meer of minder ernstig zijn en met verschillende graden van potentiële schade voor het slachtoffer. In sommige ontwikkelingslanden hebben werkgevers speciale ontvangstprogramma's of huisvestingsprogramma's opgezet. Ofschoon de ergste vormen van seksueel misbruik minder frequent worden, zijn nog niet alle problemen opgelost. De laatste tijd zijn, met de steun van regeringen, die op dit gebeid de wetgeving strenger hebben gemaakt, van vakbonden en van werkgeversfederaties informatie- en sensibiliseringscampagnes gelanceerd die wel degelijk effect hebben gehad op de publieke opinie en de direct betrokkenen. Het is, opnieuw, in de formele sector en in ondernemingen waar vakbonden zijn vertegenwoordigd dat de meeste vooruitgang is gemaakt, tenminste qua onderkenning van het probleem.