De Schone Kleren Campagne en kinderarbeid

Eén van de vragen die de Schone Kleren Campagne (SKC) vaak krijgt is de volgende: hoe staat de SKC tegenover het probleem van de kinderarbeid? Want noch in onze publicaties, noch op onze website is daar veel over te vinden. Is kinderarbeid niet één van de meest prangende sociale problemen waar heel dringend een oplossing voor gevonden moet worden?

Het antwoord: de SKC is vanzelfsprekend gekant tegen kinderarbeid. Net als iedereen zijn we moreel geschokt en verontwaardigd als we berichten horen of zien over kinderen die in ontwikkelingslanden dagelijks lastig, soms gevaarlijk, werk moeten verrichten. Kinderen moeten toch zorgeloos kunnen spelen, school lopen, zich ontwikkelen? Die morele verontwaardiging over kinderarbeid was meer dan 10 jaar geleden mede de drijfveer tot de oprichting van de SKC. Toen voerde een groep actievoersters in Nederland campagne tegen C&A omdat Filippijnse onderaannemers kinderen tewerkstelden.

Waarom is kinderarbeid dan niet één van de voornaamste actiepunten van de SKC? Kinderarbeid is in de meeste ontwikkelingslanden een wijdverspreid en hardnekkig maatschappelijk probleem. Er zijn veel vormen van kinderarbeid en veel oorzaken. Ze verschillen van land tot land, soms per streek. De kinderarbeid buiten de kledingindustrie vormt een veel groter probleem dan in de kledingindustrie. Met andere woorden: het probleem overstijgt de kledingindustrie.

De SKC heeft echter een welbepaald doel en een afgebakend actieterrein: de arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie wereldwijd verbeteren. Onder meer helpt ze mee om de kinderarbeid in de kledingindustrie uit te roeien. Maar meer hooi kan de SKC niet op haar vork nemen. Kinderarbeid als zodanig aanpakken overstijgt doel en middelen van de SKC.

Hieronder willen we kort de ingewikkeldheid van het probleem van de kinderarbeid schetsen. Een efficiënte en duurzame strijd ertegen vergt veel inzicht in de lokale sociaal-economische en culturele context. En efficiënte actie vergt enorme middelen en de volle samenwerking van de politieke overheden, grote en sterke internationale organisaties (UNESCO, IAO, Wereldbank,...), en lokale werkgevers- en werknemersorganisaties.

 

Wat is kinderarbeid?


Overal ter wereld verrichten kinderen zeer veel verschillende soorten van ‘economische activiteiten’. Een kind kan tijdens de schoolvakantie of op vrije dagen bijv. wat meehelpen op de boerderij, in het huishouden of in het atelier van vader of een ander naast familielid. Niet alle soorten werk zijn schadelijk voor het kind. Bepaalde soorten activiteiten kunnen zelfs tot de ontwikkeling van het kind bijdragen. Een ander extreem is bijv. de gedwongen inlijving van kinderen bij een rebellenleger om gewapende strijd te voeren. Of jonge kinderen die elke dag uren en uren bakstenen moeten dragen en stapelen. De verschillen worden meestal gerangschikt volgens hun schadelijkheid voor de ontwikkeling van de kinderen. Hoe schadelijker een economische activiteit is voor een kind, hoe meer ze ongewenst is. Er zijn dus gradaties in nuttigheid of schadelijkheid van een activiteit. In het Engels maakt men dikwijls het onderscheid tussen nuttig of onschadelijk ‘werk’ (work) enerzijds en schadelijke arbeid (labour) anderzijds. Tussen beide extremen ligt een grote grijze overgangszone. De vraag is dan welke soort activiteiten je allemaal opneemt in je definitie van (ongewenste) kinderarbeid. En daarvan hangt weer af wat in de statistieken als kinderarbeid opgenomen zal worden.
Als (schadelijke) kinderarbeid wordt over het algemeen beschouwd:

  • Alle werk dat voor volwassenen schadelijk is; voor kinderen wordt dat als zeer schadelijk beschouwd
  • In veel arbeidssituaties zijn kinderen, door de dominantie van de volwassenen, zeer kwetsbaar voor fysiek, psychologisch of seksueel geweld van die volwassenen. Dat is bijv. het geval voor kinderen die werken als huishoudhulp bij vreemden of als straatventers;
  • Werk dat schadelijk is voor het groeiende lichaam. De fysieke schade is het gemakkelijkst op te merken: kinderen die zware lasten moeten dragen, lange periodes moeten zitten in een onnatuurlijke houding.
  • Arbeid dat het kind blootstelt aan gevaren: extreme hitte of koude, stof, rook, onvoldoende licht, werken met elektriciteit, scherpe instrumenten, gevaarlijke machines of schadelijke chemische stoffen;
  • Indien het kind door de arbeid niet naar school kan gaan, of zo moe is dat het zich niet meer kan concentreren of studeren. Aangezien de opvoeding een essentieel deel is van de ontwikkeling, is een kind weghouden van school schadelijk voor z’n ontwikkeling.

 

De idee dat men activiteiten van kinderen moet beoordelen volgens de schadelijkheid voor hun ontwikkeling, is ook gevolgd door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). Dat is een gezaghebbend UNO-orgaan waarin regeringen, werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers internationale akkoorden opstellen over de minimale arbeidsrechten en –omstandigheden. Zoals we later zullen zien maakt de IAO sinds enige tijd het onderscheid tussen licht werk (niet schadelijk voor de ontwikkeling, maakt het school lopen niet onmogelijk); gewone tewerkstelling; zorgwekkende vormen van kinderarbeid (arbeid die verhindert dat kinderen naar school gaan, en/of risico’s inhoudt voor de fysieke en mentale gezondheid van het kind); en volstrekt onduldbare arbeid (bijv. slavernij, schuldslavernij, kinderprostitutie, arbeid in gevaarlijke beroepen en werk voor heel jonge kinderen, -12 jaar).

Hoewel het dus moeilijk is om ‘kinderarbeid’ nauwkeurig te bepalen, gaat men toch min of meer akkoord over de criteria die ‘kinderarbeid’ schadelijk en daarom onwenselijk of volstrekt ontoelaatbaar maken. En omwille van de omvang van het probleem, is men het er ook over eens dat men in de strijd tegen kinderarbeid prioriteiten moet stellen. Vooreerst moet men streven naar de directe afschaffing van de schadelijkste en meest onduldbare vormen van kinderarbeid. De totale afschaffing van alle kinderarbeid kan slechts een doel zijn op langere termijn.

 

Hoeveel kinderen arbeiden er?


Het zal niet verwonderen dat niemand een exact cijfer kan geven. Vooreerst hebben we net gezien dat het moeilijk is een exacte definitie te geven. En de statistieken zijn bovendien soms gebaseerd op verschillende leeftijdscategorieën. Verder is het zo dat de meeste kinderen werken in de informele economie. Dat betekent dat de arbeid niet geregistreerd of niet aangegeven is, en dus niet bekend bij de autoriteiten. De meeste statistieken zijn dus schattingen.
Het gaat in ieder geval om grote aantallen. In 2000 schatte de IAO het aantal economisch actieve kinderen over de hele wereld op 351,7 miljoen; 245,5 miljoen van hen verrichtten ongewenste kinderarbeid. Van hen deden 170 miljoen schadelijk of gevaarlijk werk en waren 8,5 miljoen tewerkgesteld in één van de schadelijkste vormen van kinderarbeid. Meisjes en jongens verrichtten ongeveer evenveel kinderarbeid; jongens, vooral de oudere (15-17 jr.), worden iets meer ingeschakeld in gevaarlijk werk. In vergelijking met 1995 waren de cijfers slechts licht gedaald.
Wereldwijd verrichten dus een kwart miljard kinderen ongewenste kinderarbeid. Het gaat om een alom verspreid fenomeen. Vooral in Azië en het Verre Oosten, en in Zwart-Afrika is een hoog percentage kinderen van 14 of jonger aan het werk (resp. 26,5 en 34,7%). In Latijns-Amerika en het Midden-Oosten resp. 21,5 en 19,6%.

 

Wat voor werk verrichten kinderen?


De meeste kinderen in de derdewereld leven op het platteland. Veel kinderen werken mee op de boerderij van de ouders, van de familie of van iemand anders. Vele kinderen zijn ook tewerkgesteld in de plattelandsindustrie: weven, verkoop, bakstenen maken, voedselproductie, enz... De meisjes helpen vooral in het huishouden thuis, of zijn tewerkgesteld als huishoudhulp. In een stedelijke omgeving werken kinderen vooral in de verkoop van goederen en diensten (winkels, stalletjes, schoenen poetsen, venten, hotels), als huishoudhulp (vooral meisjes), halen vuilnis op of recupereren afval op vuilnisbelten. Veel kinderen werken ook in kleinere informele ateliers: juwelen, schoenmakerij, glas- en koperbewerking, meubels, garages, spinnen, weven, ... Andere kinderen zijn tewerkgesteld in de bouwindustrie: steenslag maken, bakstenen maken of dragen,...
Slechts een kleine minderheid van de werkende kinderen is tewerkgesteld in de kledingindustrie, vooral in de kleinere informele ateliers. Jongere kinderen worden eerst ingeschakeld als helpers: aandragen van stoffen, kragen, accessoires; later worden ze aan de naaimachine gezet.

 

Oorzaken van kinderarbeid


Het is duidelijk dat kinderarbeid te maken heeft met armoede. Het is niet zo dat ouders lui of egoïstisch zouden zijn en daarom maar hun kinderen aan het werk zetten. In de derdewereld hebben heel arme gezinnen veelal geen andere keuze dan de kinderen te laten werken. Anders is er niet genoeg voedsel om iedereen te eten te geven. Als één van de ouders ziek, gehandicapt of werkloos is, dan is het inkomen van de kinderen dikwijls van levensbelang.
Op die manier geraken zulke families in een vicieuze cirkel. De kinderen moeten al heel vroeg werken en kunnen niet naar school. Als volwassenen zijn ze analfabeet en hebben ze geen beroep kunnen leren. Daardoor komen ze alleen in aanmerking voor laagbetaalde en onzekere arbeid, met het gevolg dat hun kinderen op hun beurt al vroeg zullen moeten bijverdienen...
Hoe uit deze cirkel geraken? Iedereen verplicht naar school sturen, zou je denken. Als kinderen leren lezen, rekenen en schrijven, en een beroep leren, dan kunnen ze later meer verdienen. De moeilijkheid is echter dat onderwijs voor allen vooreerst veronderstelt dat er genoeg scholen zijn, voldoende leerkrachten en werkmiddelen. In arme landen is dat helemaal niet vanzelfsprekend, vooral niet op het platteland. Bovendien zijn er soms wel scholen, maar is het onderwijs van slechte kwaliteit. Met als gevolg dat kinderen de school vroegtijdig verlaten.
Bovendien is naar school gaan – ook al is het officieel kosteloos – soms duur, zeker voor arme gezinnen. Denk aan kleding, schoenen, schrijfgerei. In veel gevallen moeten ouders bovendien (een deel van) de wedde van de leerkracht betalen. Het groot probleem is vooral dat werkende kinderen als ze regelmatig beginnen naar school te gaan, hun broodnodig inkomen verliezen.
Een duurzame oplossing voor het probleem heeft dus veel facetten. Die veronderstelt een aanbod van algemeen, goedkoop en degelijk basisonderwijs, de vervanging van het inkomen van het schoolgaande kind door ofwel een inkomen voor een volwassen gezinslid, of door een onderwijssubsidie.

 

De internationale wetgeving


Binnen de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO, ILO) zijn er twee conventies (akkoorden) opgesteld over het verbod van kinderarbeid. Conventies moeten door de regeringen in nationale wetten worden omgezet en afgedwongen worden. De IAO neemt echter normaal geen sancties tegen lidstaten die de doestellingen in de Conventies niet halen. De IAO probeert lidstaten te overhalen door openbare rapporten te publiceren om zo de morele druk van de lidstaten op elkaar te verhogen.

Conventie over de minimumleeftijd (C138, 1973)


Deze Conventie verplicht alle lidstaten een beleid voor de afschaffing van kinderarbeid uit te werken. De Conventie wil kinderarbeid bestrijden door per soort activiteit een minimumleeftijd te bepalen.

  • De algemene minimumleeftijd voor tewerkstelling wordt bepaald op ten minste 15 jaar of niet lager dan de verplichte schoolleeftijd, indien die hoger is. In landen met een lage ontwikkeling mag de leeftijd (tijdelijk) tot 14 jaar verlaagd worden.
  • Ongezond werk of werk dat gevaarlijk is voor lichaam of geest, mag slechts worden verricht door kinderen van 18 of ouder, en onder strikte voorwaarden vanaf de leeftijd van 16.
  • Licht werk (onschadelijk voor gezondheid en ontwikkeling en dat school lopen toelaat) kan verricht worden vanaf 13 tot 15 jaar.


Al vlug werd duidelijk dat deze Conventie te algemeen was. De regeringen uit de derdewereld stonden voor een onmogelijke opdracht. Een hardnekkig en algemeen verspreid sociaal gegeven als kinderarbeid, kan niet op korte of middellange termijn opgelost worden. Men werd er zich bewust van dat men prioriteiten moest stellen en dat Conventie 138 slechts op de langere termijn bereikt zal kunnen worden.

Conventie over de ergste vormen van kinderarbeid (C182, 1999)


Deze conventie bepaalt prioriteiten. Alle lidstaten van de IAO moeten onmiddellijke en effectieve maatregelen nemen om dringend het verbod en de afschaffing van de ergste vormen van kinderarbeid te garanderen. Voor deze Conventie geldt als kind elke persoon jonger dan 18 jaar. Onder de ergste vormen van kinderarbeid worden verstaan:

  • Slavernij en gelijkaardige praktijken zoals verkoop van en handel in kinderen, schuldslavernij, dwangarbeid en verplichte arbeid, gedwongen rekrutering voor gewapende conflicten;
  • Kinderprostitutie, pornografie of pornografische voorstellingen;
  • Tewerkstelling van kinderen voor illegale praktijken, bijv. de productie van en handel in drugs;
  • Kinderarbeid die de gezondheid, de veiligheid of de morele integriteit van kinderen kan schaden.

De regeringen moeten ook maatregelen treffen om onderwijs te verzekeren en de kinderen die uit de kinderarbeid komen te reïntegreren.
Het voordeel van deze Conventie is dat de regeringen nu duidelijk de prioriteiten kennen en er zich op kunnen toespitsen. Volgens sommigen ontbreekt bij de ergste vormen van kinderarbeid echter: arbeid door zeer jonge kinderen (van minder dan 12 jr.) en alle arbeid die schoolgaan onmogelijk maakt.

Beide Conventies over kinderarbeid vormen een onderdeel van de IAO Verklaring over de Fundamentele Rechten en Principes op het Werk, die in 1998 door de IAO werd aangenomen. Dat betekent dat de afschaffing van kinderarbeid, samen met drie andere principes (nl. vakbondsvrijheid, afschaffing van dwangarbeid en van discriminatie), tot de internationale minimale arbeidsrechten behoort. Daardoor zijn de lidstaten verplicht ze na te laten leven, ook al hebben ze die conventies niet afzonderlijk geratificeerd (aangenomen).

De VN Conventie van de Rechten van het Kind


Over kinderarbeid lezen we in de VN Conventie van de Rechten van het Kind het volgende:
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind te worden beschermd tegen economische exploitatie en tegen het verrichten van werk dat naar alle waarschijnlijkheid gevaarlijk is of de opvoeding van het kind zal hinderen, of schadelijk zal zijn voor de gezondheid of de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke of sociale ontwikkeling van het kind.
2. De Staten die partij zijn, nemen wettelijke, bestuurlijke en sociale maatregelen en maatregelen op onderwijsterrein om de toepassing van dit artikel te waarborgen. Hiertoe, en de desbetreffende bepalingen van andere internationale akten in acht nemend, verbinden de Staten die partij zijn zich er in het bijzonder toe :
a) een minimumleeftijd of minimumleeftijden voor toelating tot betaald werk voor te schrijven ;
b) voorschriften te geven voor een passende regeling van werktijden en arbeidsvoorwaarden ;
c) passende straffen en andere maatregelen voor te schrijven ter waarborging van de daadwerkelijke uitvoering van dit artikel.

De VN Conventie is een plechtige intentieverklaring. Ze houdt geen sancties of straffen in voor landen die de bepalingen niet toepassen.

Nogmaals: de SKC en kinderarbeid


De SKC is er zich van bewust dat ook in kledingateliers een aantal kinderen tewerkgesteld zijn. Veelal gaat het om thuisarbeid of om kleinere informele (ongeregistreerde) ateliers die dikwijls voor de lokale markt produceren, of als onderaannemer voor grotere kledingfabrieken. Kinderarbeid in grotere kledingfabrieken die voor de export werken, is zeldzamer. In ieder geval is slechts een kleine minderheid van het totaal aantal arbeidende kinderen tewerkgesteld in de kledingindustrie. En de kinderen die daar werken, arbeiden zeker niet onder de slechtste omstandigheden. De arbeid behoort hier bijna nooit tot één van de ergste vormen. Toch moeten we ons zorgen maken over kinderarbeid in de kledingsector: de ateliers zijn soms onvoldoende verlicht en verlucht, er is veel ongezond stof, en werken met een stikmachine is niet ongevaarlijk. Vooral als de kinderen heel jong zijn en de arbeid hen van school houdt, is de arbeid nadelig voor hun ontwikkeling.
Daarom vraagt de SKC dat Westerse kledingbedrijven in hun sociale gedragscode die ze aan de leveranciers opleggen, altijd opnemen dat geen kinderen mogen werken in de fabrieken die voor hen produceren. Maar het probleem duurzaam oplossen kan dat natuurlijk niet: indien het gezin werkelijk van een kinderinkomen afhankelijk is, zal het bij ontslag alternatief werk zoeken voor het kind, werk dat misschien in nog slechtere omstandigheden verricht moet worden...
De SKC spitst dus haar campagne niet toe op kinderarbeid. Ze gebruikt kinderarbeid niet als wervend of centraal thema. Het probleem kan vanuit de kledingindustrie jammer genoeg niet opgelost worden.
(L.D. - maart ‘06)

Meer info


Every Child Counts. New Global Estimates on Child Labour, International Labour Office, Genève, 2002.
Unstitching the Child Labour Debate. The Case of Bangladesh. Clean Clothes Campaign, Amsterdam.
Siddiqi, F., Patrinos, H.A., Child Labor: Issues, Causes and Interventions, World Bank, Human Capital Development and Operations Policy Department.

IAO: www.ilo.org
Wereldbank: www.worldbank.org
http://www.schooldebestewerkplaats.nl/kinder/publish/index.php
http://www.worldvision.nl/pdf/kinderarbeid.pdf
http://www.kinderrechtencoalitie.be/databank.asp?dbloc=01.01
http://www.novib.nl/
http://www.indianet.nl/ka_f_n.html