Stikken


De globalisering heeft ernstige gevolgen voor de arbeidsters in de kledingindustrie: zij moeten arbeid verrichten die uitgesplitst is in monotone deelprocessen. Maar vooral bevinden ze zich door de beweeglijkheid van het kapitaal in een heel zwakke onderhandelingspositie, aangezien ze te maken hebben met een werkgever die kan dreigen op te krassen zodat ze helemaal geen werk meer hebben. Nog erger: in veel gevallen maakt de sector gebruik van immigranten, of werkt men in de grijze of zwarte economie, waar de positie van de werkneemsters nog zwakker is. Zo wordt een aanzienlijk deel van de kleding gemaakt in ‘zwarte’ ateliers (sweatshops) in Europa en de V.S. In andere landen wordt veel gebruik gemaakt van ‘thuiswerksters’. Werknemers in de zwarte of grijze economie kunnen geen beroep doen op de arbeidswetgeving en ze zijn zeer moeilijk te organiseren. In de sector zijn vrouwen en migranten – velen onder hen illegalen - oververtegenwoordigd. Over het algemeen worden vrouwen gediscrimineerd in vergelijking met mannen met dezelfde opleiding en ervaring, en ze hebben meer redenen om bang te zijn om hun werk te verliezen.


Hier volgt een samenvatting van de inbreuken op de minimale sociale rechten - zoals die zijn opgenomen in de verschillende conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie:

  • te lange werkweken: 60, 70 tot 100 uren per week; nachtwerk zonder premie; verplicht overwerken, dikwijls zonder voorafgaande kennisgeving en op straffe van ontslag; niet respecteren van de wekelijkse rustdagen;
  • te lage lonen: lonen onder het wettelijke minimumloon, dat zelf dikwijls onder het bestaansminimum ligt; willekeurige afhoudingen voor voedsel, woonst en vervoer; laattijdige uitbetaling van lonen; geen premie voor overuren, geen vergoeding ingeval van arbeidsongeval, verschillende loonschalen voor mannen en vrouwen,…
  • gevaarlijke werkomstandigheden: ongezonde arbeidsomstandigheden (hitte, gebrek aan ventilatie, gebrek aan ruimte, gebrek aan veiligheidsmaatregelen met als gevolg een hoog percentage arbeidsongevallen, gesloten fabrieksdeuren, wat een gevaar vormt ingeval van brand of aardbeving…, gebrek aan sanitair, vooral voor vrouwen; geen crèches voor kinderen.
  • onderdrukking en werkonzekerheid: geen arbeidscontracten, verbod voor vakbonden, niet naleven van collectieve arbeidsovereenkomsten, willekeurig ontslag zonder vergoeding; geen stakingsrecht.
  • kinderarbeid: in ateliers of thuis, te lange werkdagen in ongezonde omstandigheden;
  • geen respect voor de menselijke waardigheid: gebrek aan privacy; ontslag voor zwangere vrouwen; slecht beperkt gebruik toegestaan van toiletten; verbod tot huwen voor meisjes, seksueel geweld tegenover de vrouwelijke arbeiders, lijfstraffen, gesloten fabrieken die als een soort gevangenis worden geleid.

De macht van de arbeidsters is beperkt door de hoge werkloosheid, de dreiging met verhuis, het tekort aan steun vanwege de regeringen en de brute repressie als ze hun rechten opeisen.
Toch organiseren de werknemers zich op vele manieren. Ze formuleren hun eisen en gaan in staking. Maar soms leidt dit tot massale ontslagen, of de sluiting van de fabriek, verhuis en heropening ervan op een andere plaats. Zonder de steun van onafhankelijke vakbonden en ngo’s zijn de arbeidsters veelal niet in staat zich te verweren tegen massaal ontslag of een lock-out. Het ontbreekt hun aan kennis en middelen om de wettelijke procedures in te leiden en tot het einde af te wikkelen. Er is gebrek aan tijd om massaal te organiseren. Vrouwen moeten hebben naast hun werk (inkomen!) ook de zorg over het huishouden en de kinderen.

Arbeidsrechten zijn mensenrechten


Werknemers hebben niet alleen plichten, maar ook rechten, als mens en als werknemer. Het meest geëigende niveau om voor die rechten te ijveren en ze af te dwingen blijft dat van de staat waarvan men burger is.

De rechten van de werknemers zoals recht op vrije vakvereniging, minimumloon, betaald verlof, maximum aantal werkuren, verloven, recht op gezonde en veilige arbeidsplaats, medezeggenschap, sociale zekerheid, enz… worden geregeld in de nationale arbeidswetgeving. Controle op de naleving van de arbeidswetgeving wordt uitgevoerd door de sociale en arbeidsinspectie. Overtreders kunnen eventueel voor de arbeidsrechtbank worden gebracht.

Er zijn echter nog veel landen waar de arbeiders weinig of geen rechten hebben. Ze hebben een gebrekkige arbeids- en sociale wetgeving omdat de sociaal ingestelde politieke partijen zwak zijn of onderdrukt worden.
In zeer arme ontwikkelingslanden ontbreken dan weer gewoon middelen en mankracht om een doelmatige administratie, arbeidsinspectie en arbeidsrechtbanken uit te bouwen.
In nog andere landen is er een degelijke arbeidswetgeving en hebben de werknemers dus rechten op papier. Maar in de praktijk worden die op grote schaal geschonden. Dit gebeurt veelal omdat de politieke wil ontbreekt en de regering vooral oog heeft voor de werkgeversbelangen. De staat speelt soms onder één hoedje met de werkgevers. De arbeidsinspectie wordt verwaarloosd of is onvoldoende onafhankelijk. Er worden bijv. vrijhandelszones opgericht waarbinnen men de werkgevers hun gang laat gaan. De werking van de vakbonden wordt dan bemoeilijkt; stakingsrecht wordt aan allerlei beperkingen onderworpen, enz…

Internationale arbeidswetgeving


In deze laatste gevallen kunnen arbeiders evenwel een beroep doen op internationaal aanvaarde rechtsnormen. Vooral sinds het einde van W.O. I is een begin gemaakt met een internationale sociale wetgeving. Nadien, na W.O. II, zijn die normen opgenomen in twee belangrijke verklaringen/verdragen binnen de Verenigde Naties (UNO). Er zijn dus drie internationale rechtsplatformen die betrekking hebben op internationaal aanvaarde minimale arbeidsnormen

1. Basisconventies van de IAO

De 7 basisovereenkomsten van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO of ILO voor International Labour Organisation), waarvan de meeste landen lid zijn. De IAO heeft sinds haar oprichting zowat 200 conventies of overeenkomsten afgesloten. Enkele jaren geleden werden 7 daarvan tot basisovereenkomst verklaard. De 7 basisovereenkomsten moeten door elke lidstaat van de IAO in nationale wetgeving worden omgezet, zelfs al heeft een staat ze niet elk apart geratificeerd. Ook de andere overeenkomsten die een staat heeft geratificeerd, moeten in nationale (arbeids-)wetgeving worden omgezet.

In juni 1998 nam de IAO een belangrijke verklaring aan waarin geëist wordt dat alle lidstaten de basisovereenkomsten van de IAO toepassen, zelfs als ze die niet afzonderlijk geratificeerd hebben. Dit is een belangrijk hulpmiddel voor alle arbeiders waar ook ter wereld.

De 7 basisconventies zijn de volgende:

  • De vrijheid om vakbonden op te richten en er zich bij aan te sluiten (Nr. 87).
    Alle arbeiders (uitgezonderd in leger en politie) hebben het recht een vakbond op te richten en zich erbij aan te sluiten. De staat mag zich er niet mee bemoeien en kan ze niet ontbinden. De vakbonden mogen federaties en confederaties oprichten die dezelfde rechten hebben. Ze kunnen toetreden tot internationale vakbonden.
    (U.V.: Art. 20 en 23; IVESCR: Art. 8)
  • Het recht om collectief te onderhandelen (Nr. 98).
    Arbeiders mogen niet gediscrimineerd worden of gestraft worden omdat ze lid zijn van een vakbond. De werkgevers mogen zich niet bemoeien met de vakbonden, door bijv. zelf vakbonden op te richten of door te proberen de vakbonden te controleren. Regeringen moeten de collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden ondersteunen, zodat ze collectieve arbeidsovereenkomsten kunnen sluiten.
  • Verbod op dwangarbeid (Nr. 29 en 105)
    Alle vormen van gedwongen arbeid zijn verboden, met uitzondering van oproeping door de regering in noodgevallen Verplichte overuren zijn een vorm van dwangarbeid en zijn dus niet toegelaten. Schuldgebonden arbeid is verboden. Lonen moeten regelmatig worden uitbetaald en betalingswijzen die het de werknemer onmogelijk maken van werk te veranderen, zijn verboden.
    (IVESCR: Art. 6)
  • Verbod op kinderarbeid (Nr. 138)
    Alle regeringen moeten een beleid voeren om een einde te maken aan kinderarbeid. In de meeste landen is de minimumleeftijd 15 jaar; 14 jaar in de minst ontwikkelde landen.
    (IVESCR: Art.10)
  • Gelijk loon en geen discriminatie (Nr. 100 en 111)
    Mannen en vrouwen moeten hetzelfde loon krijgen voor hetzelfde werk. Alle regeringen moeten een beleid voeren om discriminatie van welke aard ook uit te bannen: discriminatie op het vlak van de toegang tot werk, opleiding en arbeidsvoorwaarden. Regeringen moeten wetten aannemen en opleidingsprogramma’s organiseren om gelijke kansen en behandeling te bevorderen.
    (U.V.: Art. 2, Art. 23; IVESCR: Art.2, Art. 7

2. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

Ze werd afgekondigd in 1948 en ondertekend door alle landen die lid zijn van de Verenigde Naties. Deze Verklaring van 30 Artikels bevat naast de klassieke vrijheden van de mens ( recht op leven, gelijkheid voor de wet, bescherming tegen willekeurige arrestatie, recht op een eerlijk proces, recht op eigendom, vrije meningsuiting, geweten, godsdienst, vrije vereniging,..) een aantal belangrijke economische, sociale en culturele rechten: recht op vrije arbeid, gelijk loon voor gelijk werk, recht op vrije vakvereniging, recht op een voldoende levensstandaard, recht op onderwijs. Deze rechten worden zijn niet afdwingbaar, d.w.z. ze worden enkel voorgehouden als ideaal en streefdoel.

3. Het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten

Dit werd opgesteld in 1966 binnen de VN en in 1976 in werking getreden. Het is ondertussen geratificeerd door meer dan 140 landen. Dit verdrag met 31 artikels werkt de economisch, sociale en culturele rechten uit de Universele Verklaring verder uit en verplicht de ondertekenende landen om stappen te ondernemen om die rechten geleidelijk aan te waarborgen.


Moreel wapen in de strijd

De werknemers wiens rechten worden geschonden, hun vakbonden en ngo’s kunnen deze internationale arbeidsrechtsnormen gebruiken als steun en moreel wapen in hun strijd voor menswaardige arbeidsomstandigheden. De meeste landen zijn lid zijn van de IAO, de VN en hebben de Universele Verklaring ondertekend en hebben het Internationaal Verdrag inzake Economische Sociale en Culturele Rechten geratificeerd. Aan regeringen en werkgevers kunnen die rechtsnormen worden voorgehouden. Zo worden zij geconfronteerd met hun politieke onwil, hun inconsequentie of hypocrisie. Regeringen van landen die lid zijn van de IAO bijv. worden niet graag internationaal te schande gemaakt als overtreders van wereldwijd aanvaarde minimum arbeidsnormen.

Let wel, de rechten vermeld in de internationale verklaringen, verdragen of overeenkomsten zijn internationaal nooit juridisch afdwingbaar. Noch de IAO, noch de VN hebben een geschillenregeling of een rechtbank die eventueel strafmaatregelen zou kunnen opleggen aan regeringen of werkgevers die de rechten van arbeiders schenden. Dit kan tot nu toe alleen binnen de nationale wetgevingen.