Waarom solidariteitsoproepen

Zijn de ontslagen niet even erg bij ons?

Bij ons worden sommige streken of sectoren zwaar getroffen door massale afdankingen en werkloosheid. Sommige bedrijven worden slecht geleid of kunnen de concurrentie niet aan, gaan failliet en moeten sluiten. Andere verplaatsen hun productieactiviteiten naar landen waar de arbeidslonen en andere bedrijfskosten veel lager zijn. Arbeiders verliezen hun werk vanwege herstructureringen, fusies of automatisering. Dat is zeer erg voor de betrokkenen en hun fami-lies en de oorzaken ervan moeten door vakbonden en politici krachtig bestreden worden. Toch worden de financiële gevolgen een beetje verzacht door de sociale zekerheid. En de vakbon-den kunnen onderhandelen over ontslagvergoedingen, een gouden handdruk, een brugpensi-oenregeling, of opleidingsmogelijkheden. Werklozen krijgen steun en blijven recht hebben op sociale zekerheid.

De ene reden is de andere niet

In veel andere landen wordt men echter ontslagen of gediscrimineerd om een ergere reden: omdat men samen wil opkomen voor elkaar en voor elkaars elementaire rechten. Men wordt gesanctioneerd omdat men een vakbond wil oprichten, men er zich bij aansluit, ervoor militeert of omdat men als verantwoordelijke de medearbeid(st)ers wil vertegenwoordigen en in naam van de groep wil onderhandelen met de werkgever.

Ontslag omdat men een fundamenteel recht opeist

Dit recht op vrijheid van vakvereniging (oprichten van een vakbond en er lid van worden zonder dat men daarvoor gestraft wordt) en collectief onderhandelen, worden internationaal erkend als twee van de meest elementaire basisrechten van werknemers. In de Internationale Arbeidsor-ganisatie van de Verenigde Naties, gaan zowel de regeringen als werkgevers en werknemers van alle lidstaten erover akkoord dat deze twee rechten – naast de afschaffing van dwangar-beid, kinderarbeid en discriminatie - zo fundamenteel zijn dat alle lidstaten ze verplicht moeten opnemen in hun arbeidswetgeving en ze daadwerkelijk moeten garanderen. Dat staat in een plechtige IAO-Verklaring van 1998 over de ‘Fundamentele Principes en Rechten op het Werk’.

Recht op organisatie en op collectief onderhandelen zijn zo fundamenteel omdat de individuele arbeid(st)er zonder steun van de groep veel te zwak staat tegenover de werkgever. Zonder de solidariteit van de groep kan de werkgever de werknemer treffen in z’n inkomen, de werkgever kan iemand aanwerven tegen voorwaarden die aan de individuele arbeider worden opgedron-gen en zo kunnen de werknemers tegen elkaar uitgespeeld worden. Zonder recht op organisa-tie en collectieve onderhandelingen kunnen geen betere arbeidsvoorwaarden (lonen, arbeids-uren, verloven, premies) afgedwongen worden. Vrije vakbonden zijn een voorwaarde en het fundament voor de andere arbeidsrechten. Vakbondsvrijheid en collectieve onderhandelingen zijn het enige wapen van arbeid(st)ers en de hoeksteen voor sociale vooruitgang.

Papieren en werkelijke rechten

In veel landen wordt de vakbondsvrijheid hardnekkig bestreden – ook al worden die rechten op papier gegarandeerd door de arbeidswetgeving. Veel werkgevers denken vooral aan hun winst. Ze willen de arbeiders daarom hun voornaamste wapen uit handen slaan: hun onderlinge soli-dariteit. Daarom viseren ze vooral vakbondsmilitanten en –leden en hanteren een waaier van discriminerende maatregelen tegen hen. Dit gaat van overplaatsen en isoleren, degraderen, bedreigen, soms met hulp van ingehuurde bendes, het uiten van valse beschuldigingen, pogin-gen tot omkoperij, tot en met (het dwingen tot) ontslag zoals in het geval van Daiyin Lanka. Ook zijn werkgevers bereid tot het voeren van maandenlange procedures voor de arbeids- of straf-rechtelijke rechtbank, zodat de werknemers die zonder werk zitten en geen of weinig beroep kunnen doen op sociale zekerheid, uit financiële nood de strijd moeten opgeven. In veel geval-len steunt de regering de werkgevers: men ziet oogluikend toe hoe de eigen arbeidswetgeving wordt overtreden… Vakbonden zouden de concurrentiekracht van de ondernemingen aantasten en mogelijke investeerders kunnen afschrikken. En sommige regeringen houden ook niet van een sterke onafhankelijke arbeidsbeweging waar het beleid rekening mee moet houden…

Internationale steun kan een verschil maken

Het is tijdens zulke moeilijke conflicten dat internationale steun de getroffen arbeiders een hart onder de riem kan steken. De jarenlange ervaring bij de Schone Kleren Campagne leert dat massale protestbriefacties wel degelijk in veel gevallen een verschil kunnen maken. Veel grote kledingdistributeurs werken nl. met een gedragscode, die de leverancier verplicht de elementai-re arbeidsrechten toe te passen. De kledingdistributeurs houden er niet van dat hun goede faam in het gedrang komt omdat de arbeidsomstandigheden bij een producent zo erbarmelijk zijn. Zij zijn gevoelig voor de mening van hun potentiële klanten. Zij zetten hun producenten daarom onder druk om orde op zaken te stellen. De producenten op hun beurt houden er niet van dat een aankoper-klant reden heeft om zich te beklagen omdat de fundamentele arbeids-rechten geschonden worden. Ook regeringen vinden het vervelend dat ze in een kwaad daglicht komen te staan omdat in hun land elementaire rechten geschonden worden.

Meer over resultaten van solidariteitsoproepen