Binnenlandse arbeidsmigranten
Kleding produceren is een arbeidsintensieve bezigheid waarvoor weinig opleiding vereist is. Aangezien kledingleveranciers onder druk staan van de Westerse kledingmerken om hun prijzen zo laag mogelijk te houden, doen die hun uiterste best om vooral de arbeidskost zo laag mogelijk te houden. Ze doen daarom graag een beroep op arbeid(st)ers die met heel weinig tevreden zijn: mensen die in hoge nood verkeren en niet bewust zijn van hun rechten of weinig geneigd zijn die op te eisen.
Dat zijn vaak arbeidsmigranten die van het arme platteland komen. Kinderen van kleine en arme boeren krijgen geen opleiding. De boerderij is te klein om hen tewerk te stellen. Ze kunnen slechts een financieel inkomen verwerven indien ze naar de stad of industriegebieden trekken om daar werk te zoeken. Het gezin hoopt dan dat ze wat geld overhouden om het gezin te helpen financieel te steunen. De kledingindustrie is een optie. Maar plattelandsmeisjes komen zo in een omgeving terecht die sociaal-economisch, cultureel en eventueel etnisch sterk verschilt van het thuismilieu. Vaak leven ze afgezonderd van de lokale bevolking: de fabriek zorgt voor kost en inwoon op het fabrieksterrein. Arbeidsmigranten kennen veelal hun basisrechten niet, weten niet hoe zich te organiseren in vakbonden of wensen hun job niet in gevaar brengen door eisen te stellen. In China en Bangladesh bijv. draait de kledingexport bijna exclusief op de arbeid van migranten uit het binnenland. De werkgevers kunnen hun dan ook arbeidsomstandigheden bieden die helemaal niet beantwoorden aan basisnormen die vastgelegd zijn in de Conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie.
|
|
Buitenlandse arbeidsmigranten
Buitenlandse arbeidsmigranten worden ook ingezet in de kledingproductie. Soms worden die in groep uit een bepaald land via uitzendagentschappen gerecruteerd en met tijdelijke contracten overgevlogen. Een Koreaanse fabriek, Daewoosa, stelde enkele honderden Vietnamese vrouwen tewerk op Amerikaanse Samoa. En een twintigtal kledingfabrieken die werkten voor bekende Amerikaanse kledingketens stelden honderden stiksters uit China, de Filippijnen, Thailand, Vietnam en Bangladesh tewerk op het eiland Saipan (Mariana Eilanden, VS). Deze twee locaties werden berucht om de erge uitbuiting van de migranten (de arbeidsters moesten een recruteringsvergoeding van duizenden dollars betalen aan de werkgever, de arbeidsomstandigheden waren onmenselijk: te lage lonen, achterstallige lonen teveel overuren, slechte voeding,…). Amerikaanse vakbonden en NGO’s spanden in beide gevallen echter een burgerlijk geding aan met het gevolg dat de ketens en bedrijven een vergoeding uitbetaalden en de Amerikaanse arbeidsinspectie tussenkwam.
De kwetsbaarheid van buitenlandse arbeidsmigranten wordt goed geïllustreerd door het wedervaren in 2008 van enkele honderden Srilankaanse vrouwen die voor CMT werkten op het eiland Mauritius. Toen ze o.m. vroegen om de uitbetaling van achterstallige lonen en premies voor overwerk, werden ze aangehouden en op eigen kosten gedwongen gedeporteerd naar Sri Lanka.
Nog kwetsbaarder zijn migranten zonder papieren die in de kledingindustrie worden tewerkgesteld, ook in ontwikkelde landen. Zij komen vaak terecht in echte ‘sweatshops’: kleine illegale bedrijfjes, die buiten de wet opereren of ze doen thuisarbeid. Zij kunnen heel moeilijk opkomen voor hun rechten aangezien ze voortdurend in angst leven dat ze uitgewezen zullen worden.
In de ‘VN Internationale Conventie ter Bescherming van de Rechten van alle Arbeidsmigranten en hun Gezinsleden’ worden de minimale rechten van alle buitenlandse arbeidsmigranten, ook die zonder papieren, omschreven. Deze conventie is echter nog door geen enkel Westers land geratificeerd, wel door ontwikkelingslanden als Marokko en Mexico.
|